Overheidstekort zakt volgend jaar naar 1,3 procent

DEN HAAG, 12 FEBR. Het Nederlandse financieringstekort daalt sneller dan verwacht. Het tekort daalt van 2,1 procent dit jaar naar 1,3 procent in 1998. Dit blijkt uit nog vertrouwelijke berekeningen van het Centraal Planbureau (CPB).

Voor toetreding tot de Economische en Monetaire Unie (EMU) wordt een grens van 3 procent voor het tekort gehanteerd. In 1996 voldeed Nederland volgens het CPB met een EMU-tekort van 2,4 procent al aan deze norm. Dit jaar daalt het EMU-tekort naar 2,1 procent en volgend jaar naar 1,3 procent. Voorlopige berekeningen van het ministerie van Financiën gaan uit van een nog gunstiger ontwikkeling: een EMU-tekort van 2,1 procent in 1996, in plaats van de 2,4 procent die nu door het CPB wordt gehanteerd.

Voor de staatsschuld geldt een norm van 60 procent van het bruto binnenlands produkt of een voldoende snelle daling in die richting. De schuldquote bedroeg in 1996 78,5 procent en zal volgens de vorig jaar september gepubliceerde Miljoenennota afnemen tot 76,2 procent dit jaar.

Het CPB gaat er bij de berekeningen vanuit dat de budgettaire ruimte voor 1998 geheel voor beperking van het financieringstekort wordt ingezet. Het gaat daarbij onder meer om een belastingmeevaller van, aldus het CPB, 4,9 miljard gulden. Verder gaat het planbureau uit van aanhoudende economische groei. De groei zal zelfs nog iets versnellen, van 3 procent dit jaar naar 3,1 procent volgend jaar. De werkgelegenheid zal hierdoor in 1998 toenemen met 102.000 arbeidsjaren (116.000 personen). In 1997 nam de werkgelegenheid iets minder hard toe, namelijk met 98.000 arbeidsjaren (112.000 personen). Het aantal personen dat aan het werk komt is groter dan het aantal arbeidsjaren door deeltijdbanen. Twee half-time banen gelden in de berekeningen voor één arbeidsjaar.

De omvang van de werkloze beroepsbevolking daalt door de gunstige economische ontwikkeling van 460.000 in 1997 tot 415.000 in 1998. De collectieve lastendruk blijft stabiel op 43,4 procent. De berekeningen dienen als grondstof voor de opstelling van de komende rijksbegroting.