Huisarts en bedrijfsarts werken slecht samen

ROTTERDAM, 12 FEBR. De onduidelijke positie van de bedrijfsarts vormt voor de huisarts een belangrijk obstakel voor samenwerking. Zowel huisarts als bedrijfsarts wil daarom dat wordt vastgelegd dat de bedrijfsarts een onafhankelijke positie heeft ten opzichte van de werkgever van de patiënt.

Verder wil de huisarts geld krijgen voor het overleg met de bedrijfsarts over hun gemeenschappelijke patiënten. Maar bovenal: de bedrijfsarts moet afzien van het zelf doorverwijzen van zijn patiënten naar specialist, psycholoog of fysiotherapeut.

Dit blijkt uit het onderzoek dat bureau NIA TNO in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft gedaan naar de problemen bij de samenwerking tussen bedrijfsartsen en huisartsen. Het rapport Voor verbetering vatbaar is vandaag aangeboden aan minister Borst (Volksgezondheid) en staatssecretaris De Grave (Sociale Zaken). Borst en De Grave ondertekenden met de voorzitters van de betrokken artsenverenigingen een intentieverklaring om knelpunten in de samenwerking gezamenlijk aan te pakken.

De onderzoekers komen tot de conclusie dat die samenwerking na 1 januari 1994 niet noemenswaard is verbeterd. Op die datum werden de wet Terugdringing Ziekteverzuim en de gewijzigde Arbeidsomstandighedenwet ingevoerd: wetten die juist een betere sociaal-medische begeleiding door bedrijfarts, huisarts en medisch specialist gezamenlijk beogen. Het NIA TNO is nog bezig met een onderzoek naar de samenwerking tussen bedrijfsarts en medisch specialist.

Huisartsen èn bedrijfsartsen zien het belang van een goede onderlinge samenwerking: de patiënt heeft er baat bij als beide met één mond spreken en geen tegenstrijdige adviezen geven. Bovendien voorkomt een goede samenwerking dat huisarts en bedrijfsarts door de patiënt tegen elkaar worden uitgespeeld als hij bijvoorbeeld langer wil verzuimen dan strikt nodig is.

De onduidelijke positie van de bedrijfsarts vormt voor de huisarts echter een belangrijk bezwaar. Zo'n 60 procent zegt er niet zeker van te zijn dat de bedrijfsarts de informatie van de huisarts alleen gebruikt voor de begeleiding van hun patiënt, maar ook voor controle van het ziekteverzuim. Anders dan in veel andere Europese landen willen huisartsen in Nederland behandeling en controle scherp gescheiden houden, een standpunt dat wordt gedragen door de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij ter bevordering der Geneeskunst. Het merendeel van de huisartsen geeft ook aan niet geïnteresseerd te zijn in beperking van het verzuim van de werknemer. Alleen de wat oudere huisarts heeft daar wel oog voor.

Het onderzoek, waaraan 243 huisartsen en 232 bedrijfsartsen meewerkten, leert dat ook de bedrijfsartsen zelf hun onduidelijke positie als een belangrijk knelpunt zien. Ruim 80 procent vindt een beroepscode die de professionele onafhankelijkheid van de bedrijfsarts garandeert wenselijk. Ongeveer evenveel bedrijfsartsen verwacht dat de samenwerking beter gaat verlopen als zij “het beschermen en het bevorderen van de gezondheid van de werknemer” als uitgangspunt nemen.

De huisartsen van hun kant zeggen dat zij pas van harte gaan samenwerken als zij ook voor die samenwerking worden betaald. Het overleg met de bedrijfsarts over de aard van de klachten of de stand van zaken bij de behandeling kost tijd. En tijd is voor hen geld, zegt zo'n 40 procent van de huisartsen. Geld is er overigens ook de reden van dat de bedrijfsarts alleen schriftelijk met een medisch specialist communiceert over onder meer duur en aard van de behandeling van een gemeenschappelijke patiënt: alleen voor het schriftelijk geven van informatie kan de specialist een declaratie indienen.

Mag een bedrijfsarts een patiënt buiten de huisarts om verwijzen naar medisch specialist, psycholoog of fysiotherapeut voor diagnose of behandeling? In hun antwoord staan de bedrijfsartsen en huisartsen tegenover elkaar: de meeste huisartsen hebben daar zonder meer bezwaar tegen, de meeste bedrijfsartsen vinden daarentegen dat dat wel moet kunnen. Ruim veertig procent werkt op een dienst waar al afspraken bestaan met specialistische centra en ziekenhuizen in de omgeving waarnaar kan worden verwezen voor diagnostiek of behandeling.

De standpunten van de huisartsen en bedrijfsartsen weerspiegelen die van hun beroepsverenigingen. Die voeren hierover al geruime tijd discussie. De Landelijke Huisartsenvereniging (LHV) wijst op het belang van de rol die de huisarts als 'poortwachter' heeft: hij moet voorkomen dat patiënten onnodig in het dure medische circuit terechtkomen. Bovendien vreest voorzitter J.F.M. Bergen van de LHV dat bedrijfsartsen vooral verwijzen bij 'wachtlijst-omzeilende initiatieven' zoals bedrijvenpoli's, zo schrijft hij in Medisch Contact.

In een reactie op dat verwijt antwoordde de (toenmalige) voorzitter H.A. Bouwman van de Landelijke Vereniging van Sociaal-Geneeskundigen dat de vrees voor dergelijke initiatieven “weinig realistisch” is. Dat werknemers in toenemende mate gebruik zullen gaan maken van deze 'wachtgeld-omzeilende initiatieven' verbaast haar niet. Zij verwees daarbij naar overeenkomsten tussen arbo-diensten en zorgverzekeraars: “Financiële prikkels zijn immers voor alle partijen altijd belangrijke prikkels.”