'Houd hokken en stallen vrij van ratten'

OVERDINKEL, 12 FEBR. Het is al dertien jaar geleden, maar de herinnering aan het drama kan hem nog altijd treurig stemmen.

J. Rikhof was destijds, februari 1984, varkensmester in Denekamp, achterin Twente tegen de Duitse grens aan, toen de hardnekkige en schier onuitroeibare virusziekte die nu in Brabant woedt, op zijn bedrijf uitbrak. Met tranen in de ogen moest hij toezien hoe zijn complete veestapel, bestaande uit 680 biggen en slachtrijpe varkens, voor destructie werd afgevoerd naar Nijverdal. “Een hard gelag”, zei hij toen en hij kan het dertien jaar na dato voluit herhalen. “Maar het lijden van de dieren was óók niet om aan te zien.”

Hij is nu 71, een licht gebogen man in schipperstrui en manchester broek, veel warrig grijs haar boven een somber gezicht. In Denekamp woont hij allang niet meer. Vier jaar na de varkenspest - hij was toen al geruime tijd weduwnaar - verkocht hij zijn bedoening, omdat zijn enige zoon een ander beroep had gekozen, en betrok een woning bij het naburige Overdinkel. Zonder knorrende beesten. “Ik heb hier alleen een hond en twee parkieten.” Maar stilzitten kan hij niet. “Voor mijn plezier werk ik bij een boer in de buurt, elke dag van halfnegen tot vijf, en dat bevalt me best.”

Rikhof over februari 1984: “Twee keer vond ik een dood varken in de schuur. De dieren waren me al opgevallen omdat ze waggelend liepen en veel last van benauwdheid hadden. Ik dacht aan longontsteking, maar het bleek varkenspest te zijn. Toen moesten ze er alle 680 aan geloven, een bittere ervaring. Maar de vergoeding van de overheid was redelijk. Ik kreeg voor bijna alle varkens negentig procent van de dagwaarde, dus wat zo'n dier die dag zou hebben opgebracht, zeg maar drie gulden vijftig per kilo. En dan had ik nog geluk, want ik had maar enkele dode of zieke varkens, waarvoor ze vijftig procent uitkeerden.

“Nee, de grootste narigheid en dan zuiver financieel gezien kwam later. Om te beginnen mocht je dertig dagen geen varkens houden en daarna duurde het nog eens twee maanden voor je de veestapel weer op peil had, want de fokkers konden maar mondjesmaat aan de vraag voldoen. Ik was tenslotte niet het enige slachtoffer. Hier in Twente en de Achterhoek zijn bij elkaar wel twintigduizend varkens afgemaakt, dus was er grote behoefte aan verse biggen. Dat betekende dat ik pas na drie maanden weer aan de slachterijen kon verkopen, een schadepost van zo'n vijftigduizend gulden en die werd niet vergoed.”

Achter een kop koffie in de keuken mijmert Rikhof: “Waar komt zo'n virus toch vandaan? Daar zijn ze, geloof ik, nog steeds niet achter. Maar ik weet wel hoe de ziektekiem wordt verspreid. Door ratten en ander ongedierte. Als ik die mensen in Brabant en trouwens alle varkensmesters één raad mag geven, dan is het deze: hou je hokken en stallen vrij van ratten, met rattengif of hoe dan dan ook, want het zijn toch van die ellendelingen. Ze trekken van plek naar plek en leggen per nacht wel drie kilometer af.”

Hoe het destijds in Denekamp ging, staat hem nog helder voor de geest: “Het begon bij Lieffering, aan de overkant van het kanaal, toen brak de ziekte aan onze kant uit, eerst bij buurman Morsink en toen bij mij.” Rikhof doelt op het oude kanaal Almelo-Nordhorn, waar al jaren geen schip meer doorkomt. “Het wemelt daar van de ratten, die 's avonds naar de boerderijen trekken en het virus als het ware verslepen. Vroeger had je nog eens hoog water en dan verdronken ze bij bosjes, maar sinds er een dam in ligt en het peil constant blijft, kunnen ze welig tieren.”

Volgens de gewezen mester zijn ook mussen, spreeuwen en kraaien te duchten als transporteurs van het virus. “En katten niet te vergeten. Straks in maart worden ze weer krols en komen de katers erop af. Maar waar heeft zo'n kater zijn woonplek? Mensen, wees toch voorzichtig, zou ik ze willen toeroepen en denk vooral aan de ratten, dat zijn de ergste slepers.”

En de mens? “Ja, die natuurlijk ook.” Rikhof vertelt hoe hij destijds met een dood varken in een plastic zak achterin de kofferbak naar Zwolle reed om het dier voor onderzoek aan de veterinaire dienst aan te bieden. Diezelfde middag kreeg hij bericht dat er varkenspest in het spel was.

“Nee, een vervoersverbod bestond volgens mij nog niet, maar ik zou het nu niet meer doen. Ik kom regelmatig bij een bevriende boer in Duitsland, achter Rheine. Die man heeft tweeduizend varkens. Laatst, toen de eerste berichten al uit Brabant kwamen, vroeg hij of ik zijn nieuwe voederinstallatie wou bekijken, maar ik heb het niet gedaan, want als je zo'n schuur ingaat, kan het virus aan je schoenen blijven plakken en dan neem je het mee de grens over. Nee, die verantwoordelijkheid wil ik niet op me laden, want ik ben als de dood voor die ziekte. Mond- en klauwzeer, daar weet ik ook alles van, maar zo erg als met de pest in vierentachtig had ik het nooit beleefd.”