Hij bewonderde Hemingway

“Ik heb hem nooit op een congres gezien. Daar had hij geen tijd voor, zei hij. In 1934 in Oslo liet hij een referaat voorlezen. Dat was beroerd slecht vertaald.

We snapten er niets van. Later, thuis, bij zorgvuldige bestudering van de tekst, begreep ik waar het over ging. Hij veegde de vloer aan met het behaviourisme. Het was briljant. Moedig ook. Na onze studententijd heb ik hem nog eenmaal ontmoet. Dat was in de botanische tuin van Kandy. Hij zei dat hij op vakantie was. Afrika kwam hem even de neusgaten uit, zei hij. Zijn terrein was de Kongo, hij bestudeerde daar geheime genootschappen. Ik deed Vedda's in wat toen Ceylon heette. Ik had een theorie, meende dat integratie van bevolkingsgroepen tot gefixeerde rituelen van geïntegreerde groepen leidt. Ik wilde dat toetsen aan zijn ervaringen, maar hij stelde zich niet erg toegankelijk op, gaf korte antwoorden, liet merken dat hij met rust gelaten wilde worden. Tijdens onze conversatie plukte hij een levende schorpioen uit elkaar. Of dat coquetterie was? De zwarte schorpioentjes van Sri Lanka zijn niet zo gevaarlijk. Of hij daarvan op de hoogte was? Ik weet het niet. We spraken nog af voor een restaurant, maar hij kwam niet opdagen. Ik heb hem nooit meer gezien, las af en toe iets van hem in onze vakbladen, genoot daar van, heldere betoogtrant, altijd wetenschappelijk. In ons vak werd hij hoog aangeslagen. Toch, hij voegde niet, als ik het zo mag uitdrukken. Er waren geruchten. Hij zou in conflict zijn gekomen met het ministerie voor koloniale zaken wegens zijn weigering als getuige-deskundige te verschijnen voor de Mau-Maucommissie. Er was ook een kwestie met een belangrijke planter, waar ik verder niet op wil ingaan. Tijdens onze studie vond ik hem al boeiend, maar ook merkwaardig; hij had enorme bewondering voor Hemingway, droeg immer een tropenhelm. Hemingway in Leuven, stelt u zich dat voor. Ik weet niet of H. leed onder het afgewezen worden. Trapiri werd vele malen afgewezen daar in Leuven en dat dronken wij af, vele malen. Maar zoals gezegd, we verloren elkaar uit het oog. En toen, vorige week: een kennis tipte mij. Bromides van Trapiri lagen op de Antwerpse rommelmarkt. Ik heb de hele stapel documenten gekocht. Men kan aan de platen zien welk meisje hij waardeerde, welke moeder hij misbruikte om bij haar dochter of dochters te komen, welke vrouwen hem uitsluitend wetenschappelijk gesproken interesseerden. Hij annoteerde met zacht potlood op de achterzijde. Onbegrijpelijke notities. Sommige platen waren volgekrabbeld. Ieder zijn eigen systeem. Een foto vermeldt slechts 'Anna'. Verder niets. Dat kan ik begrijpen. Anna was te vol, te veel levenslust, te mooi om zich te laten coderen. Zie het strijkende licht over haar borsten, het strelend vlekje op haar linkertepel. Dit alles in tegenstelling tot wat het gelaat mededeelt. Men kan spreken over de verheugenis van het voorhoofd, maar daar houdt het op. Ik vind haar trekken gewoon. Trapiri's einde is in kleine kring bekend. 11 maart 1957 ontkleedde hij zich, gebood zijn aide ménage zijn kleren en andere bezittingen naar zijn echtgenote in Mortsel te zenden en liep het Albertmeer in. Delirium tremens, fluisterde men. Ik denk 'Anna'.''