Genesis: Kolossaal en tactloos

Als één boek ter wereld geen well-made novel is, dan de bijbel. Nu is de bijbel dan ook niet zozeer een enkel boek als wel een bibliotheek. Vandaar misschien ook het enigszins titelloze, hoofdletterloze karakter van die benaming: 'bijbel'. Het is een hoogst bizarre bibliotheek, waarin een heleboel genres vertegenwoordigd zijn: verhalend proza, poëzie, aforismen, geschiedschrijving. Nu staat dat hier wel heel rustig: verhalend proza.

Maar daaronder moeten dan bijvoorbeeld vallen: het verhaal van de schepping, het verhaal van het paradijs, dat van de ark, dat van de spraakverwarring. Er zijn verhalen die doen denken aan mythen, sprookjes, sagen, of legenden. Er staan genealogieën en volkenlijsten in de bijbel. Wetten en spijsvoorschriften. Er is geschiedschrijving - maar het is een geschiedschrijving met een consequent transcendent karakter, dat in dezelfde moeite evenzeer omhoog wijst als vooruit. En dan is er ook nog eens dat tamelijk specifiek bijbelse genre van de profetie: half proza, half poëzie. Zoals er trouwens ook midden in het ogenschijnlijke proza frequent poëzie te vinden is.

In hoeverre de diverse boeken die tezamen de bijbel vormen samenhang vertonen is na drieduizend jaar jodendom en tweeduizend jaar christendom als vraagstuk een gotspe. Geen boek dat in zo'n niet aflatende eeuwenlange krachtsinspanning tot eenheid gelezen is als de bijbel. Tot een eenheid die dan ook evenveel schakeringen vertoont als er scheurmakers en nieuwe eenheidstichters geweest zijn onder de vrome lezers.

Binnen het geheel van de afzonderlijke bijbelboeken is er misschien geen dat zo sterk het karakter van een composiet heeft als het eerste bijbelboek. Genesis is een steen. Een steen, samengesteld uit zeer heterogene bestanddelen. Wat dat betreft is het boek meteen al de bijbel in het klein.

Genesis bevat - vaak in vliegende vaart - achtereenvolgens: een kosmogonie; een hoogst beknopte geschiedenis van het paradijs en vervolgens; het verhaal van Kaïn en Abel; het verhaal van de zondvloed; dat van de torenbouw van Babel. Dit zijn de eerste elf hoofdstukken, een keer of wat - althans naar het gevoel van de moderne lezer - onderbroken door geslachtsregisters en volkenlijsten. De totale omvang van deze roemruchte verhalen is - en ook dat is verbijsterend in de ogen van een moderne lezer - ongeveer twintig pagina's romandruk. A-viertjes, zeg maar.

De veel omvangrijkere rest van het boek, tachtig A-viertjes, is gelijkmatiger van voortgang en bouw. Die behelst de wederwaardigheden van de aartsvaders Abraham, Isaäk en Jacob: vaders en zonen die zelf, telkens met moeite, weer vader worden. Genesis eindigt met de zeer subtiel vertelde geschiedenis van Jozef. Dat verhaal zou, binnen de bijbelse context, literair gesproken het meest well-made genoemd kunnen worden. Het is uitzonderlijk in zoverre dat het thuis zou kunnen horen in het werk en de wereld van Herodotus. En het uitzonderlijke bestaat dan, generaliserend gezegd, hieruit dat er eigenlijk nauwelijks een overlap bestaat, een trait d'union, enig gebied van overeenkomst tussen de klassieke literatuur en die van de bijbel.

In de schitterende analyse die het eerste hoofdstuk vormt van Mimesis heeft de romanist Erich Auerbach een vergelijking gemaakt tussen de stijl van het Griekse epos, namelijk de passage in de Odyssee waarin Odysseus' voeten worden gewassen door zijn vroegere min Eurykleia die hem aan een litteken herkent, en de stijl van het bijbelse verhaal in Genesis 22 waarin verteld wordt hoe Abraham gevolg geeft aan het bevel van God om zijn - enig geboren - zoon Isaäk te offeren.

Die vergelijking resulteert in een aantal opposities. In het epos is alles gesitueerd en gemotiveerd, het wordt benoemd en afgegrensd. Het epos laat geen belangrijke vragen open. Bij dat alles is het zinsverband in hoofdzaak onderschikkend, en wordt het onderlinge verband tussen de zinnen door duidelijke schakels aangebracht. In het verhaal van Abrahams offer daarentegen niets van dat al: over bijna alles wordt gezwegen, heel veel blijft open vraag, overgangen vinden abrupt plaats. De stijl en de schrijfwijze zijn die van het vooral nevenschikkend zinsverband. En dat dan vaak zelfs zonder dat er ook maar een 'en' of een 'maar' aan te pas komt. Maar het is juist deze barre en boze stijl met zijn talloze raadsels die stuk voor stuk om interpretatie vragen, die het vreemde en indringende karakter bepaalt van vooral het Oude Testament. Met voorop dat allereerste boek: Genesis.

Ik houd wel van een beetje rekenen. Hoewel het boek Genesis niet meer dan vijf procent van het Oude Testament beslaat, maken de 'klassieke' verhalen ervan - grof geschat - wel eenderde of een kwart uit van de bijbelse kennis die een mens, bij wijze van algemene ontwikkeling, nodig heeft om voldoende te begrijpen van wat er in musea en kerken zoal te zien is. Dus hoop ik dat de lezer mij ten goede houdt dat het hier een paar keer over Genesis zal gaan, enkel en alleen over Genesis. Want, om een andere grote lezer, Northrop Frye, de auteur van De Grote Code, aan te halen: “Waarom zit daar raadselachtig in het midden van onze culturele erfenis dat kolossale, vormloze, tactloze boek, en waarom kan men er niet omheen?”