Crises op de Balkan hebben uiteenlopende achtergrond

ROTTERDAM, 12 FEBR. De Balkan doet zijn reputatie het kruitvat van Europa te zijn, alle eer aan: in Servië zijn meer dan tachtig dagen lang dag in dag uit tienduizenden betogers de straat opgegaan in een marathonprotest tegen de verkiezingsfraude van president Miloševic.

In Bulgarije hebben betogers een maand lang elke dag gedemonstreerd tot de regerende socialisten inbonden. In Albanië is al drie weken sprake van woedende betogingen van gedupeerde spaarders die het aftreden van de regering eisen. In Kosovo nemen het geweld van het mysterieuze Kosovo Bevrijdingsleger en het tegengeweld van de Serviërs snel toe.

En waar niet wordt gedemonstreerd, op de Balkan, is dat gezien de levensomstandigheden bijna een wonder. In Roemenië, waar de hyperinflatie inmidddels volop toeslaat en de nationale munt alleen al in januari bijna de helft van zijn waarde is kwijtgeraakt, teert de regering van Victor Ciorbea steeds moeizamer op het krediet dat ze bij de verkiezingen heeft meegekregen, maar is ze wel bezig haar belangrijkste verkiezingsbeloften te schenden: de rekening kon later dit jaar wel eens worden gepresenteerd.

In Macedonië wordt de wankele vrede tussen Macedonische en Albanese nationalisten moeizaam bewaard door president Kiro Gligorov - maar als hij van het toneel verdwijnt (hij wordt in mei 80) loopt die broze vrede gevaar, want Gligorov heeft geen opvolger en de enige charismatische leider in het land is de verre van subtiele nationalist die de oppositie leidt.

In Bosnië is de vrede geenszins veilig - integendeel: er is de afgelopen weken sprake van een desintegratie van de samenwerking tussen de Serviërs enerzijds en de moslims en Kroaten anderzijds en tussen de Kroaten en de moslims. In Mostar liepen de zaken maandag geheel uit de hand. Meer dan een jaar na 'Dayton' en vijf maanden na de verkiezingen is de centrale regering nog steeds niet aan het werk gegaan omdat ze onderling niet eens kan worden over haar eigen werkwijze. In Slovenië is al drie maanden sprake van een regeringscrisis en in Kroatië neemt het ongenoegen over de economische crisis toe; in combinatie met de ziekte van president Tudjman en het ontbreken van een duidelijke opvolger kan die ontevredenheid nog tot instabiliteit leiden. Het ontbreken van betogingen in Roemenië, Kroatië en Macedonië en de afwezigheid van oorlog in Bosnië is geen garantie dat het in deze landen rustig zal blijven.

In Servië is het protest vooral een politiek protest tegen Slobodan Miloševic. In Kosovo vormt de onderdrukking van de Albanezen een permanente bron van instabiliteit. Elders is de deplorabele staat van de economie en de verpaupering de belangrijkste oorzaak van de onrust of de dreigende onrust. Doorgaans is die onrust mede te wijten aan het onvermogen (en vaak de onwil) van de betrokken regeringen om zinvolle maatregelen te nemen. De macht is op de Balkan nog steeds belangrijker dan de rede. Of, zoals de Servische staatsman Nikola Pašic het ooit uitdrukte: een gram macht weegt meer dan een pond hersens.

Dat geldt hoe dan ook voor Bulgarije en Albanië. In Bulgarije heeft een lange reeks van regeringen nagelaten zinvolle hervormingen door te voeren. De reeks werd afgesloten met het uit socialisten (communisten is een beter woord) bestaande kabinet van Zjan Videnov, die twee jaar lang blunder aan blunder heeft geregen. In die periode hebben de socialisten en hun politieke vrienden het land volledig geplunderd. Het gemiddelde maandinkomen is gedaald tot minder dan twintig gulden, bij prijzen die nauwelijks onderdoen voor die in het Westen. Zelfs nu ze begin deze maand na dertig dagen van boze betogingen zijn gezwicht voor de demonstranten en de oppositie reageren de socialisten met een verbijsterende arrogantie op de malaise waarin ze de bevolking hebben gebracht: ze boycotten het parlement, waardoor er geen quorum is en er geen besluiten kunnen worden genomen en tot gisteren weigerden ze zelfs de nieuwe overgangsregering de bevoegdheid te geven met het Internationale Monetaire Fonds te onderhandelen over de vorming van een currency board die de hyperinflatie moet beteugelen. Zo dreigden ze even te verhinderen dat er tot eind april, als de vervroegde verkiezingen worden gehouden, ook maar iets aan de crisis gebeurt. Pas gisteren gingen ze door de bocht en stemden ze in met volmachten voor de overgangsregering. Maar dat gebeurde zeer contrecoeur. De partijleiders die namens de socialisten instemden met de vervroegde verkiezingen - partijvoorzitter Parvanov en minister van binnenlandse zaken Dobrev - gelden voor hun partijgenoot premier Videnov voor “verraders” die moeten worden uitgestoten. Intussen holt de hyperinflatie voort en neemt de verpaupering verder toe: volgens officiële cijfers heeft een Bulgaar deze maand minimaal 61.000 leva nodig om in leven te blijven; het gemiddelde maandinkomen is 32.500 leva, het minimumloon 11.000 leva en de minumumuitkering 6.000 (ƒ 2,40) per maand.

In Albanië is geen sprake van gebrek aan hervormingen, zoals in Bulgarije, maar wel van een soortgelijke extreme nalatigheid van de regeerders, president Sali Berisha voorop. Jarenlang hebben dubieuze investeringsfondsen de Albanezen het geld uit de zak kunnen kloppen door hun enorme winsten voor te spiegelen. En de Albanezen, decennia economisch dom gehouden door Berisha's voorgangers, trapten er massaal in. Ze belegden hun geld - velen verkochten zelfs hun huis - tot de fondsen november een voor een in elkaar klapten en de investeerders alleen een lege of bijna lege kas konden tonen. De helft tot driekwart van de Albanezen raakte op die manier in een klap al hun spaargeld kwijt.

De regering heeft de fondsen jarenlang hun gang laten gaan, hoewel iedereen kon weten dat het op een dag heel erg mis zou gaan. Ze liet de Albanezen hun geld in de bodemloze put van de investeringsfondsen storten en deed alsof ze verbaasd was toen het misliep. Kennelijk heeft het bewind van Berisha zich verkeken op het Russische en Roemeense voorbeeld: daar eindigde het fiasco van de dubieuze fondsen MMM en Caritas bijna met een sisser en hoe dan ook zonder straatgeweld. Voor Berisha ligt de zaak in elk geval uiterst simpel: de betogingen van gedupeerde en bestolen mensen zijn “een samenzwering van extreem-linkse groepen” die de burgers manipuleren. Het is oude taal van een nieuwe leider, die de onverschilligheid en de minachting van de regeerders voor het leed en de wanhoop van hun eigen burgers illustreert.

De crises in Albanië, Bulgarije, Kosovo en Servië en de sluimerende crises in Roemenië, Macedonië en Bosnië zijn onderling niet vergelijkbaar: sommige (Bulgarije) zijn economisch met politieke gevolgen, andere (Servië) zijn politiek, weer andere sociaal of sociaal-economisch (Albanië) of etnisch (Kosovo, Macedonië) van aard. Maar nog afgezien van de strategie van het protest - de betogers in Sofia hebben zich in hun dertig dagen durend protest duidelijk laten inspireren door het marathonprotest van de oppositie in Servië - hebben de crises ook een constante gemeen: ze gaan (of ze gaan in potentie) met geweld gepaard. In Belgrado, Sofia en Tirana is door de politie met grof geweld opgetreden en de betogers in Vlorë zijn in hun optreden eveneens allesbehalve zachtzinnig. “Als in een herberg op de Balkan het licht uitgaat, trekken de gasten de messen”, schreef de Kroatische schrijver Miroslav Krleza ooit.

En toch, tot op zekere hoogte is die etikettering van de Balkan misleidend: het heeft immers, anders dan wordt gesuggereerd, jaren geduurd voordat de Serviërs, Albanezen en Bulgaren in opstand kwamen, jaren waarin ze het meeste kwijtraakten van het weinige dat ze bezaten en vaak onder de bestaansgrens belandden. Bovendien kan de Servische en Bulgaarse betogers niet worden verweten dat ze welk wapen dan ook hebben getrokken. Het verwijt geldt vooral de autoriteiten. In feite verdienen de getergde volken van de Balkan - de Serviërs, de Albanezen in Albanië, Macedonië en Kosovo, de Bulgaren, maar ook de Macedoniërs, de Kroaten, de Roemenen en de Hongaren in Roemenië en de Vojvodina - respect wegens het incasseringsvermogen waarmee, boos maar zonder geweld, hun verpaupering en in veel gevallen ook de onverschilligheid en arrogantie van hun regeerders hebben geïncasseerd.