ANNE WADMAN (1919-1997); Fries literator

Verguisd, maar ook bewonderd werd de vorige week overleden Anne Wadman, ongetwijfeld de belangrijkste Friese literator van na de Tweede Wereldoorlog. Een man waar je doodgewoon niet omheen kon. Zijn universitaire opleiding in de Nederlandse letteren, zijn kennis van de literatuur, maar vooral zijn gedrevenheid en zijn inzet maakten hem tot de centrale persoon van zijn generatie.

In 1946 ging een nieuw Fries literair tijdschrift van start, De Tsjerne. De redactie streefde ernaar Friese literatuur op zijn literaire waarde te beoordelen en niet op zijn waarde als taalpropaganda. Al gauw werd Wadman gevraagd als redacteur en hij kreeg de taak het proza te recenseren. Volgens zijn slachtoffers legde hij op een 'onbarmhartige' manier de gebreken van de Friese romans bloot, waarbij hij telkens benadrukte niet volgens provinciale, maar volgens Europese criteria te willen oordelen. Het bezorgde hem de naam van 'de beul van De Tsjerne'.

De figuur bij uitstek in Wadmans proza is de half-intellectueel die het niet lukt de top te bereiken en die het ontbreekt aan sociale vaardigheden. In zijn allereerste roman met de titel Viool en Vriendin wenst de hoofdpersoon iets te zijn “tussen held en klootzak”. Meestal neigen zijn hoofdpersonen tot het laatstgenoemde. Zijn beste roman vind ik De Feestgangers uit 1970. Het is een prachtige satire van een groepje gezapige burgers dat aan partnerruil doet omdat dat nu eenmaal hoort voor moderne mensen. Belangrijk is de roman vooral om het procédé: een beweeglijke camera-opstelling maakt het de verteller mogelijk steeds te wisselen van personage en op die manier een zeer compleet beeld te geven van de feestvierders.

Er zijn twee periodes waarin je van de auteur wat minder merkt. De eerste is wanneer hij aan zijn dissertatie werkt. Als hij in de jaren zestig weer met proza komt, is dat bijna een nieuwe start. De publicatie van De Smeerlappen (1963) slaat in als een bom. De tweede periode ligt tussen 1975 en 1985. Hij verlaat het Sneker Gymnasium waar hij conrector was en wordt hoofddocent aan de lerarenopleiding Nederlands te Leeuwarden. Dat werk vreet al zijn tijd op.

Na zijn pensionering gaat hij weer verwoed aan het schrijven. Hij klaagt dat de uitgevers zijn werk niet aankunnen, hij heeft meer dan tien manuscripten in zijn la. Hij klaagt ook dat zijn publiek afkalft. Vroeger had hij een vast koperspubliek van ruim 2.000 personen. Nu zijn dat er minder dan 1.500. Zijn leeftijdgenoot en collega Jo Smit placht te zeggen: “Je hebt slechts één lezer nodig om schrijver te zijn.” Maar Wadman kon niet relativeren. Hij twijfelde heel erg aan zijn capaciteiten als romancier. Ook als criticus trouwens vond hij zichzelf niet zo goed, hij had immers geen duidelijk beeld van Amerikaanse, Franse of Duitse literatuur.

Wadman was een zwartgallige man. Hij heeft niet genoten van zijn successen. Hij heeft ook nooit gedacht toen hij oud was: wat heb ik toch heerlijk rotzooi geschopt in die Friese literatuur. Nee, op mondiaal niveau telde zijn werk niet mee en met de rol van auteur in een minderheidstaal kon hij zich niet tevreden stellen.