Amorele gratie van Germaine Dulac

La belle dame sans merci. Regie: Germaine Dulac. Met: Tania Deleyme, Jean Toulout. In: Amsterdam, Nederlands Filmmuseum, 13 t/m 15 en 20 t/m 22 februari.

La souriante Madame Beudet. Regie: Germaine Dulac. Met: Germaine Dermoz, Alexandre Arquillière. Voorafgegaan door vier korte films van Dulac. In: Amsterdam, Nederlands Filmmuseum, 17 t/m 19 en 24 t/m 26 februari.

De Franse suffragette en filmmaakster Germaine Dulac (1882- 1942) staat voornamelijk nog bekend als inspiratrice en middelpunt van de avantgardistische filmbeweging in het Parijs van de jaren twintig: ze was verloofd met schrijver-regisseur Louis Delluc en bevriend met Gance, L'Herbier en Clair. Dulacs in samenwerking met Antonin Artaud vervaardigde surrealistische korte film La coquille et le clergyman (1927) was een vast nummer bij de Amsterdamse Filmliga.

Minder bekend is Dulacs door kenners als haar beste werk beschouwde La souriante Madame Beudet (1923), een Bovary-variatie over het deerniswekkende lot van een intelligente getrouwde vrouw in de provincie. Het Nederlands Filmmuseum vertoont deze interessante middellange film, met de kwijnende Germaine Dermoz in de dappere titelrol, voorafgegaan door enkele korte abstracte films uit eigen collectie (Disque 957, 1928; Etude cinégraphique sur une arabesque, 1929), in samenhang met de reprise van de verloren gewaande, maar door het Filmmuseum gerestaureerde lange film van Dulac uit 1921, La belle dame sans merci.

Uit deze films komt een andere Dulac naar voren dan de auteur van 'absolute films'. Hoewel ze als regisseur experimentele effecten niet schuwt, vooral in de droomscènes van La souriante Madame Beudet, vertelt Dulac in La belle dame sans merci, voltooid in het jaar dat zij in Hollywood D.W. Griffith bezocht, overwegend een verhaal met een kop en een staart. Modern is het gebrek aan moralisme in het verhaal over een femme fatale, die zowel haar voormalige weldoener als diens puberzoon in het verderf stort. De stijl is eerder impressionistisch dan abstract; de begeleiding in het Filmmuseum door muziek van Debussy en Fauré past dan ook uitstekend.

In een commentaar op La belle dame sans merci zei Dulac dat ze 'een sfeer van elegantie, charme en gratie' had geprobeerd te creëren, niet alleen om de decors op de werkelijkheid te doen gelijken, maar ook opdat de 'accumulatie van kortstondig zichtbare details zou gelijken op de alledaagse perceptie, zonder er betekenis aan te hechten'. Germaine Dulac was dus een moderne filmmaakster, zowel in de standpunten die ze innam over de positie van de vrouw en die latere feministische filmtheoretici ertoe brachten haar zonder meer in hun gelederen in te lijven, maar ook in haar filmische visie.

La belle dame sans merci maakt ook deel uit van een programma van tien zwijgende films, die het Nederlands Filmmuseum met muzikale begeleiding door het land laat reizen. Het zijn alle in eigen huis geconserveerde films, met de nadruk op minder bekende titels van grote regisseurs, zoals Harakiri (1919) van Fritz Lang, Downhill (1927) van Alfred Hitchcock en Lucky Star (1929) van Frank Borzage.