Vetorecht

Omwille het bereiken van een slagvaardig Europees beleid terzake buitenland en veiligheid is het voorstel geopperd om de kleinere landen hun vetorecht te ontnemen (27 januari).

Het is verontrustend met welk gemak dit voorstel, behalve door de VVD, positief is ontvangen. Men mag niet volstaan met een politieke beoordeling van de voorgestelde soevereiniteitsbeperking, maar zal ook de constitutionele toets moeten verrichten of na het wegvallen van het vetorecht nog wel voldaan wordt aan minimumeisen van democratie.

Deze laatste eisen brengen niet mee dat een besluitvorming zonder vetorecht nimmer mag, maar wel dat voldoende waarborgen blijft omvatten, die een ontwikkeling garanderen naar een democratische controle zoals we op nationaal niveau gewend zijn.

Het momenteel bestaande vetorecht vormt in dit opzicht een stok achter de deur, hoe gering voor de kleine landen haar betekenis in de praktijk tot op heden ook lijkt te zijn. Haar betekenis vanuit preventief oogpunt moet niet onderschat worden nog afgezien van haar functie als noodzakelijke democratische legitimatie.

Niet zonder recht verlangt dan ook de VVD, voor een eventueel opgeven van het vetorecht, van de grote landen garanties terug. Louter vertrouwen op een goed functioneren van de nieuw voorgestelde besluitvormingsprocedure vormt nu eenmaal bij het nog steeds ontbreken van een adequate parlementaire controle onvoldoende legitimatie van macht. Of veranderingen op het niveau van de afvaardiging naar de Veiligheidsraad in dit opzicht voldoende garanties bieden is overigens discutabel.

Een voorstel tot afschaffing van het vetorecht verdient daarom een fundamenteel debat, waarbij niet te ontkomen valt aan de levensgrote voorvraag of de landen van Europa niet te verschillend zijn om ooit tot een politieke eenheid te geraken.