Sleeping Beauty magisch en pompeus

Voorstelling: The Sleeping Beauty op muziek van P.I. Tsjaikovski door het Nationale Ballet en het Nederlands Balletorkest o l.v. Thierry Fischer. Gezien: 10/2 Muziektheater Amsterdam. Herhalingen: t/m 2/3. Den Haag: 5, 6/3; Utrecht: 8, 9/3.

De uit 1981 daterende produktie van het ballet The Sleeping Beauty, nog steeds de prachtlievendste voorstelling die ons land ooit zag, wordt bij Het Nationale Ballet nu geleid door de Zwitser Thierry Fischer, die voor het eerst in het Amsterdamse Muziektheater het Nederlands Balletorkest dirigeert. Hij doet dat op tegelijkertijd weloverwogen, gevarieerde en onsentimentele wijze, zodat het Balletorkest in hem wellicht een kandidaat heeft voor de opvolging van de Australische Nicolette Fraillon, die het orkest aan het eind van dit seizoen verlaat.

Fischer, die zijn directiecarrière tien jaar geleden bij toeval begon, toen hij een zieke dirigent verving, was aanvankelijk fluitist in orkesten van Nikolaus Harnoncourt en Claudio Abbado. Hij maakte platen, dirigeerde in Zwitserland, Frankrijk en Engeland en ook veel in ons land, onlangs nog op de dag in Utrecht die was gewijd aan Frank Martin, ook van Zwitserse komaf.

De voormalige fluitist in de dirigent laat zich vooral horen in de derde acte, het feest waarop allerlei sprookjesfiguren dansen. De houtblazers van het Balletorkest zijn daar opvallend aanwezig met pittig en pront gespeelde partijen. Voor het overige dirigeert Fischer de muziek van Tsjaikovski met gevoel voor kleurrijke dosering van dramatiek en variatie in dynamiek en expressie: van ijle magie tot onbeschaamd gehoempa.

Die pompositeit komt in de moeilijke akoestiek van het Muziektheater overigens beter tot zijn recht dan de toversfeer. Het Balletorkest, dat een kleinere bezetting heeft dan waarover het Nederlands Philharmonisch Orkest in dezelfde zaal beschikt bij operabegeleidingen, wordt hier sinds enige jaren ondersteund door versterking. Maar desondanks blijft het orkest in pianissimo-passages beneden in de zaal te dun klinken, zodat het eigenlijk versterking verdient.

Fischer houdt vaart in de voorstelling door niet te talmen bij het inzetten van de orkestbegeleiding wanneer een danser aan een solo zal beginnen. In lange soli, zoals de eerste opkomst van de titelrolvertolkster, weet hij de muzikale en theatrale spanning vast te houden. De Bloemenwals heeft tempo en is hier duidelijk dansmuziek, geen gezwijmel. Wat er uit de orkestbak opklinkt is de hoorbare weerspiegeling van wat er op het podium is te zien: een voortdurende afwisseling tussen de warmte van oud goud en de vaak rozige pasteltinten die de dansers maken tot levend Meissen-porselein.

    • Kasper Jansen