Schandaal bedreigt regering Hongarije

BOEDAPEST, 11 FEBR. Het corruptieschandaal bij de privatisering van staatsbedrijven, dat al maandenlang de Hongaarse politiek beheerst, heeft de dampkring van de regering van Gyula Horn bereikt. Justitie heeft bewijzen gevonden dat bijna twee miljoen dollar van het commissiegeld dat het staatsprivatiseringsbedrijf APV aan een juridisch adviseur betaalde, is doorgesluisd naar bedrijven en stichtingen die banden hebben met de twee regeringspartijen, de Socialistische Partij (MSzP) van premier Horn en het links-liberale Verbond van Vrije Democraten (SzDSz).

Hongaarse kranten hebben de affaire al omgedoopt tot “het Hongaarse Watergate” en “het grootste politieke schandaal van de twintigste eeuw”. De affaire illustreert hoe in Hongarije, net als in andere Oosteuropese landen, een nauw verweven netwerk van politieke en zakelijke belangen, met wortels in de communistische nomenklatoera van weleer, profiteert van de overgang naar de vrije-markteconomie. Voor de doorsnee-Hongaar is de conclusie simpel: terwijl het volk gebukt gaat onder prijsverhogingen en bezuinigingsmaatregelen, verrijkt een nieuwe elite zich in hoog tempo. Dat sentiment hoopt de Hongaarse oppositie uit te buiten.

“Deze affaire toont een diepe morele crisis van het politieke leiderschap in Hongarije”, meent István Stumpf, hoogleraar politieke wetenschappen in Boedapest en een vooraanstaand politiek analist. “In de campagne voor de verkiezingen van 1994 beloofden de coalitiepartijen dat ze de corruptie zouden aanpakken, en dat ze duidelijkheid zouden scheppen over de besteding van overheidsgeld. Nu blijkt dat ze zelf dicht bij de kas hebben gezeten. Het kan veel Hongaren ertoe brengen volgende keer niet meer te gaan stemmen.”

Het schandaal kwam vorig jaar september aan het licht toen een krant ontdekte dat het staatsprivatiseringsbedrijf de advocate Martá Tocsik een astronomisch honorarium van 804 miljoen forint (5,2 miljoen dollar) had betaald voor onderhandelingen die zij had gevoerd met lokale overheden over grondaankopen. Het bedrag overtrof de stoutse verwachtingen die Hongaren van het kapitalisme hebben - zelfs de hoofdprijs in de staatsloterij was nooit de 600 miljoen forint te boven gegaan. Waarom APV met Tocsik in zee was gegaan, bleef onduidelijk. Ze stond niet als advocate geregistreerd en was ingehuurd buiten de voorgeschreven procedure van openbare inschrijving om.

Na de onthullingen verving de regering bijna de gehele top van het privatiseringsbedrijf. De minister die politiek verantwoordelijk was voor de privatiseringsoperatie, de socialist Tamás Suchman, moest aftreden. De vernieuwde APV kon verder gaan met het verkopen van overheidsbedrijven aan de privé-sector, een proces dat dit jaar moet worden afgerond. Daarbij gaan enorme bedragen om: de APV had in 1996 157,9 miljard forint aan inkomsten, vooral uit de verkoop van bedrijven en andere staatsbezittingen, tegenover 148 miljard forint aan uitgaven. Het parlement begon met een eigen onderzoek naar de affaire, het openbaar ministerie opende een strafrechtelijk onderzoek tegen advocate Tocsik die haar honorarium moest terugbetalen, en de affaire leek politiek overgewaaid.

Totdat de hoogste officier van justitie van Hongarije, Kálmán Györgi, het parlement onlangs per brief verzocht de onschendbaarheid op te heffen van het parlementslid László Boldvai, tevens penningmeester van de socialistische partij waarin veel tot de sociaal-democratie bekeerde oud-communisten zitten. Uit het onderzoek was gebleken dat Boldvai, onder vermelding van zijn functie binnen de partij, de advocate Tocsik in februari vorig jaar opdracht had gegeven om 1,3 miljoen dollar van haar honorarium over te maken aan een bedrijf dat banden heeft met de socialistische partij.

Later bracht Boldvai haar volgens justitie in contact met de zakenman Barnábás Bernhardt, die 662.000 dollar van haar salaris opeiste voor een bedrijf en een stichting die contacten hebben met de Vrije Democraten, de SzDSz. Deze links-liberale partij van de stedelijke intelligentsia stamt uit de dissidentenbeweging van vroeger. Bernhardt is een voormalig lid van het hoofdbestuur van de SzDSz, en was verantwoordelijk voor de fondsenwerving van de partij bij de verkiezingscampagne in 1994. Toen het schandaal in de openbaarheid kwam, stortten de bedrijven de ontvangen bedragen meteen terug op de rekening van het privatiseringsbedrijf.

Tocsik heeft tegenover de politie toegegeven dat zij op de hoogte was van de politieke antecenten van het tweetal. De oppositie zag zo het vermoeden bevestigd dat de advocate de schakel was tussen de inkomsten uit de privatisering en politieke partijen. Het parlement besloot deze week de onschendbaarheid van Boldvai op te heffen. Premier Horn en de leider van de SzDSz, Iván Petö, hebben ontkend dat zij iets van de affaire wisten, en houden vol dat hun partijen niet rechtstreeks hebben geprofiteerd: het geld is immers niet in de partijkassen terechtgekomen.

De oppositie in het parlement is tot nu toe te zwak en te verdeeld om het schandaal politiek uit te buiten. Een motie van wantrouwen tegen premier Horn, die het Hongaars Democratisch Forum (MDF) wilde indienen, haalde de agenda niet eens omdat er onvoldoende steun kwam van andere partijen. Politiek analist Stumpf verwacht echter dat de affaire de komende maanden zal leiden tot wisselingen in het leiderschap van de twee regeringspartijen. Hij ziet Horn en Petö bij de volgende verkiezingen niet de lijsten aanvoeren.

Voormalige dissidenten in de SzDSz vinden dat voorzitter Petö hun “morele stem” uit het verleden heeft verkwanseld. En binnen de socialistische partij is veel verzet tegen premier Horn. Stumpf: “Mensen in de partij die Horn altijd hebben gesteund realiseren zich nu dat hij de partij niet tot een duurzame politieke kracht kan ontwikkelen. Misschien heeft Horn niet concreet van de affaire geweten, maar zonder zijn verborgen steun was dit niet mogelijk geweest. Ik kan me niet voorstellen dat hij niets van de hele betalingsstructuur heeft geweten.”

De corruptie-affaire wordt ongetwijfeld een hoofdthema in de verkiezingscampagne voor 1998, die soms al lijkt te zijn begonnen. De regeringspartijen, die van het electoraat de schuld krijgen van de sociaal-economische malaise, zijn in de opiniepeilingen al voorbijgestreefd door de conservatieve Partij van Kleine Boeren (FKGP) en de rechts-liberale Fidesz. Deze hebben er alle baat bij dat de naam Tocsik zo lang mogelijk in het geheugen van de kiezer voortleeft. “Voor mij hoeft de zaak nog geen politieke consequenties te hebben”, zei een voornaam lid van de oppositie deze week. “Voor ons is het het beste als de zaak tot aan de verkiezingen aan de regeringspartijen blijft kleven.”