Oplossing voor 'Baskisch-probleem' verder weg dan ooit

MADRID, 11 FEBR. De klap van de autobom in Granada was nog niet weggestorven of Spanje werd gisteren opnieuw opgeschrikt door een aanslag van de Baskische terreurorganisatie ETA.

Met de moord op een van de raadsheren van de Spaanse Hoge Raad, op klaarlichte dag voor zijn woonhuis in Madrid, is wederom een zware slag toegebracht aan de hoop een oplossing te kunnen vinden voor het “Baskische probleem”. Een probleem dat niet alleen de vreedzame samenleving in Baskenland zelf bedreigt, maar zelfs de jonge democratie in heel Spanje, aldus een van wanhoop doortrokken commentaar in het dagblad El País vandaag.

Na de bomaanslag gistermorgen in Granada, waarbij een kapper die op de lokale luchtmachtbasis werkte het leven liet, volgde vroeg in de middag de ontdekking van het levenloze lichaam van Eugenio Aranburu, raadslid van de aan ETA verwante partij Herri Batasuna in het Baskische dorpje Mallabia. Aranburu had zichzelf opgehangen. Die middag had hij moeten verschijnen voor de Hoge Raad in Madrid, op verdenking ETA te helpen. Ruim een uur later werd 500 kilometer zuidelijker raadsheer Martínez door het hoofd geschoten.

Terwijl verspreid over Spanje slachtoffers vielen, hield premier Aznar een bijeenkomst met de Baskische regio-president, José Antonio Ardanza. De heren hadden een belangrijk gesprek te voeren. De partij van Ardanza, de conservatieve Baskisch-nationalistische PNV, had vorige week in een officieel partijdocument opgeroepen tot onderhandelingen met de ETA. Dit tot grote woede van de andere democratische partijen in Baskenland, die juist een front tegen ETA trachten te vormen en het stopzetten van het geweld als absolute voorwaarde hebben gesteld voor mogelijke gesprekken.

Na de aanhoudende onheilstijdingen gingen beide politieke leiders uiteen, bedrukt door de gebeurtenissen maar zonder concrete stappen aan te kondigen. Meer dan ooit worstelt Spanje met het dilemma van een democratie die wordt geconfronteerd met een fanatieke minderheid die zich aan geen enkele democratische spelregel wenst te houden. ETA wil door middel van terreur niet alleen zijn zin doordrijven, maar ook het democratische rechtssysteem in gevaar brengt.

El País haalde vanochtend de Colombiaanse schrijver Gabriel García Márquez aan ter illustratie van een soortgelijke situatie die in zijn land ontstond door het geweld van de drugs-clans. “Na de eerste bommen eiste de publieke opinie de cel voor de narco-terroristen; na de volgende aanslagen uitlevering aan de Verenigde Staten, maar na de vierde bom begonnen ze om een algemeen pardon te vragen.” Van dat laatste is in Spanje evenwel geen sprake. De haat tegen de ETA zit diep, zowel bij een meerderheid van de Spaanse bevolking als bij een meerderheid van de Basken zelf. Enquêtes wijzen uit dat het geweldadig nastreven van de Baskische afscheidingsidealen slechts door een miniem deel van de Baskische bevolking wordt gesteund. De grote mate van regionale onafhankelijkheid knaagt daarnaast aan de nationalistische principes: de gecombineerde Baskisch-nationalistische partijen kunnen niet langer op een meerderheid in het eigen regio-parlement rekenen.

Van ETA-zijde wordt de aanhoudende terreur - moord, ontvoering, afpersing en straatgeweld - verdedigt door te wijzen op de “repressie van de staat”. Bij veel Basken wordt hierbij een snaar geraakt. De sympathie voor de terreurorgansitie mag dan sterk verminderd zijn, in de hechte Baskische samenleving wordt de herinnering aan de onderdrukking tijdens de Franco-jaren nog levendig gehouden. En ook de uiterst trage juridische afhandeling van de zogenoemde GAL-affaire, waarbij doodseskaders in de jaren tachtig een twintigtal veronderstelde ETA-leden om het leven bracht, heeft weinig bijgedragen aan het imago van de rechtsstaat. Rapporten van mensenrechtenorgansaties laten er evenwel geen twijfel over bestaan: de jonge Spaanse democratische rechtsstaat kent nog zijn gebreken, maar de aanhoudende, systematische schending van de mensenrechten wordt in Spanje gepleegd door de ETA.

Vandaag en gisteren haastten politici van vrijwel alle partijen in Spanje zich onderhandelingen met de ETA van de hand te wijzen. “Een macabere grap”, zo meende de socialistische leider in Baskenland Ramón Jáuregui het idee toenaderingte zoeken tot de ETA. De Baskische PNV voelde de bui hangen en liet dreigend weten dat niemand het in zijn hoofd moest halen deze partij een deel van de verantwoordelijkheid voor de moordpartijen in de schoenen te schuiven.

Minister van binnenlandse zaken Mayor Oreja, zelf afkomstig uit Baskenland en door vriend en vijand gerespecteerd als bewindsman, noemde het oplaaiende geweld de zwaartse vuurproef die hij tot dusver moet doorstaan. Onder de hoog opgelopen emoties lijkt een oplossing van het Baskische dilemma op dit moment dan ook verder weg dan ooit te voren.