Mijmeringen rond een boek uit 1939

“Montaigne - dat is echt iets voor jou”, zei onlangs iemand tegen me. Ik moest bekennen dat ik nooit iets van deze Franse essayist (1533-1592) gelezen had, en daarom haalde ik, bij wijze van proef, een korte bloemlezing uit zijn Essais, ingeleid door André Gide en vertaald in het Nederlands, van de Koninklijke Bibliotheek.

Maar ik wil het nu niet over Montaigne en ook niet over Gide hebben, maar over enkele andere dingen in dit boekje, die mij aan het denken zetten. Het was een uitgave uit 1939. De uitgever was de N.V. Servire in Den Haag, nu niet meer bestaand, en de bewerking was verzorgd door drs. Frank de Vries, een naam die mij niets zei.

Of de bewerker ook de vertaler was, is niet duidelijk. De vertaling is niet best, zeker als je die vergelijkt met die van Frank de Graaf uit 1993 (uitg. Boom, Amsterdam / Meppel). Zo laat zij Gide in zijn inleiding schrijven: “La Rochefoucauld zegt naderhand, als hij Nietzsche's beroemde woord 'Laten wij hard zijn' aanhaalt...” Nu, Gide zal wel geweten hebben dat La Rochefoucauld ruim twee eeuwen vóór Nietzsche leefde en deze dus moeilijk aangehaald kan hebben.

Soms krijg ik de indruk dat de vertaling niet uit het Frans, maar uit het Engels is. Waarom weidt de ongenoemde vertaler anders, in de enige voetnoot in het boek, zo lang uit over de Engelse vertaling van John Florio uit 1603? Wat heeft een Nederlandse lezer daarmee te maken?

Dat Engels de oertekst voor de vertaler was, wordt niet onwaarschijnlijker gemaakt door het feit dat het boekje is verschenen in de reeks Levende gedachten, en die is de Nederlandse versie van een Amerikaanse reeks, The Living Thoughts Library, een uitgave van de firma Longmans, Green & Co. te New York, onder redactie van Alfred O. Mendel.

Dat staat allemaal trouw vermeld op de achterkant van het titelblad van het Nederlandse boekje. Daar staat ook in welke landen die reeks, meestal in vertaling, uitgekomen is: “Argentinië, Bulgarije, Canada, Denemarken, Finland, Engeland, Frankrijk, Hongarije, Nederland, Noorwegen, Polen, Roemenië, Tsjecho-Slowakije, Yoego-Slavië, Zweden.”

Dit rijtje nu zette mij aan het denken. Let op het jaar: 1939. Dat was het jaar waarin de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Je zou er zelfs uit kunnen opmaken dat het boekje vóór september 1939 uitgekomen is, want in die maand viel Duitsland Polen binnen, en van dat ogenblik af zal er waarschijnlijk geen sprake meer zijn geweest van een Poolse uitgave.

Ja, we zouden de datum van uitgave nog meer kunnen preciseren: vóór maart 1939, want van dat ogenblik af bestond Tsjecho-Slowakije (zoals Tsjechoslowakije tussen september 1938 en maart 1939 officieel heette - dus met streepje) helemaal niet meer. Toen immers bezette Hitler Tsjechië en verklaarde Slowakije zich onafhankelijk. Daarna zal Montaigne wel niet meer in Praag zijn verschenen.

Maar waar hij nog wèl verschijnen kon, was in landen als Bulgarije, Hongarije, Roemenië en Joegoslavië. Waarom is dat vermeldenswaard? Omdat die landen in 1939 allesbehalve democratisch geregeerde landen waren. Het waren autoritair geregeerde landen, sommige (zoals Hongarije) nauw gelieerd aan het nationaal-socialistische Duitsland.

Na de oorlog werden die regimes vaak fascistisch genoemd, maar dat waren ze niet, evenmin als de regimes van Franco in Spanje of Salazar in Portugal dat waren. Het fascisme berust op de adhesie van grote, gemobiliseerde massa's, en die basis misten die regimes in het toenmalige Midden- en Zuidoost-Europa. (Hetzelfde geldt voor Polen vóór september 1939).

Een ander verschil met het fascisme was dat die regimes niet totalitair waren. Dat blijkt wel uit het feit dat daar de gedachten van een zo'n libertaire geest als Montaigne konden verschijnen. Ook in het Spanje van Franco lagen, zeker na ongeveer 1960, de boekhandels vol van libertaire, ja zelfs marxistische lectuur. Dat kan zulke regimes blijkbaar niets schelen.

Kom daar eens om bij de opvolgers van die regimes in het andere deel van Europa: de communistische regimes. Die probeerden systematisch de geesten van de mensen in het gareel te dwingen (net zoals de rechts-totalitaire regimes gedaan hadden). Daar werd alles geweerd wat maar als in strijd met de heersende ideologie uitgelegd kon worden. Montaigne vond je er zeker niet in de boekhandel (in Polen en Hongarije was dat misschien de laatste jaren vóór 1989 iets beter).

Toch noemden velen in het Westen - ook die niet communist waren - de communistische regimes in Midden- en Zuidoost-Europa een vooruitgang, vergeleken bij hun vooroorlogse rechtse voorgangers. En in de jaren '60 en '70 sloten zij ogen en oren voor de werkelijkheid dat het Spanje onder Franco 'liberaler' was dan Oost-Europa onder de poststalinisten. Het waren de jaren dat Den Uyl wèl met vakantie in het Roemenië van Ceausescu ging kamperen, maar niet in het Spanje van Franco.

Wat een schijnheiligheid en onwetendheid heersten toen in die jaren! Jaren waar sommigen nog met warme gevoelens aan terugdenken, anderen - gelukkig - met schaamte. Tot zulke gedachten kan een rijtje, op de achterkant van de titelpagina van een in 1939 verschenen boek, inspireren. Nu Montaigne zelf gaan lezen!

Overigens draagt het boek dat ik uit de Koninklijke Bibliotheek haalde, het stempel 'Nationale Bibliotheek'. Zo moest de KB tijdens de bezettingsjaren heten. Het boek was dan ook, getuige een ander stempel, op 30 september 1941 aan de collectie toegevoegd. Ook aan die datum kunnen we allerlei mijmeringen vastknopen.

    • J.L. Heldring