Joris

Iemand vroeg mij of ik Joris van den Bergh persoonlijk had gekend. “Gelukkig wel”, was mijn antwoord. Want Joris was een sportjournalist van aparte klasse.

Herinner ik het mij goed, dan kwam het door de nasleep van de belangrijke interland Nederland-Ierland in de lente van 1934. Nederland had een nieuw elftal opgebouwd dat onze eeuwige tegenstanders, de Belgen, met de sensationele cijfers 9-3 had verslagen en toen kwamen de Ieren op bezoek. Dat was een kwalificatieduel voor het wereldkampioenschap in Italië. Wereldkampioenschappen voetbal waren toen iets nieuws. In 1930 was het eerste WK gehouden, helemaal in Zuid-Amerika en dat was Oranje te ver en te duur, maar ditmaal moest het gaan gebeuren. Er was aardig getraind en Karel Lotsy had leuk gespeecht en tegen de Belgen hadden Bakhuys, Vente en Smit er vrolijk op los gescoord. Vooral Leen Vente, die maar even vijf goals tot stand had gebracht. Het was bijna een record, ware het niet dat Jan Vos op de Olympische Spelen van 1912 ook vijf keer doel had getroffen.

Oranje kwam tegen de Ieren met 1-0 voor, bij de rust was het 1-1, een gelijkopgaande wedstrijd. Na rust geschiedde een echt drama, want onze doelman Adri van Male liet zich door de kleine, stevige Ierse midvoor Moore met bal en al over zijn eigen doellijn drukken: een geldige goal in de 57ste minuut. De 38.000 mensen in het uitverkochte Olympisch Stadion werden muisstil. Zou het dan toch misgaan? Maar toen kwam wat sedertdien het 'krankzinnige kwartiertje' van het Nederlands elftal werd genoemd. Binnen elf minuten scoorde Bakhuys tweemaal, vijf minuten na Bakhuys' tweede treffer passeerde Leen Vente de Ierse keeper en weer vijf minuten later deed Kick Smit hetzelfde. Tussen de 67ste en de 83ste minuut had zich een wonder voltrokken: vier goals en schitterend veldspel. Hoe was dat mogelijk? “Och”, zei Lotsy, “ik hou elke donderdagavond in Den Haag een praatje voor de spelers. Ik schrijf hun regelmatig persoonlijke brieven en er is een vriendenclub.” En hij voegde eraan toe dat zijn ideeën strookten met die van Joris van den Bergh, die hierover (onder meer in de NRC) geschreven had.

Want Van den Bergh zocht altijd naar de mens achter de prestatie, ofwel naar 'de kapitein van de spier'. Hij volgde een sportleven lang de 'eenzame fietser' Piet Moeskops, de sprinter uit Loosduinen. Een eenling, een zoeker, een intelligente speurder naar topprestaties. Hij schreef daar een boek over, Temidden der kampioenen, met Moeskops als centrale figuur. Maar zijn andere boek Mysterieuze krachten in de sport krijgt nu een herdruk. Vandaar de vraag of ik de schrijver had gekend. Ik was 26, Joris bijna 70 en we zaten op een Haagse voetbaltribune en praatten over Joris en zijn theorieën. Een boeiende man, een spitter in de sport. Hij was gek op polemiseren, een vorm van sportjournalistiek welke toen bloeide. Met Kick Geudeker, ingenieur Ad van Emmenes en Joris. Ooit heb ik mij op drieste wijze in zo'n polemiek gestort. Ik dacht betere argumenten te hebben dan Van den Bergh, die in die tijd propageerde dat de snelste man in een voetbalploeg automatisch op de midvoorplaats zou moeten worden geplaatst. Ik klom in de pen en meende een meesterwerk te hebben geconcipieerd. Maar toen ik Joris' antwoord las, kreeg ik het koud en warm tegelijk: hij had me weggeredeneerd. Want hij was een meesterlijk 'debater'. Ook als hij ernaast zat, leek hij de winnaar.

Alleen al daarom vind ik het een voortreffelijk idee Joris en zijn mysterieuze krachten een herdruk te geven. Ik heb het oude, uit 1943 stammende exemplaar nog eens uit de kast gehaald en de vergeelde bladzijden nog eens omgeslagen. Het leest nog alsof het gisteren werd geschreven.