'Jongere' kunstenaars naar Biennale Venetië

AMSTERDAM, 11 FEBR. De kunstenaars Aernout Mik en Willem Oorebeek zullen Nederland dit jaar vertegenwoordigen op de Biennale van Venetië.

Dit heeft de Mondriaanstichting vandaag bekend gemaakt. Mik en Oorebeek zijn gevraagd door conservatoren Leontine Coelewij en Arno van Roosmalen, die de Nederlandse presentatie samenstellen voor de tentoonstelling, die van 15 juni tot en met 4 november wordt gehouden in de Giardini di Castello. Beide beeldend kunstenaars zullen voor de tentoonstelling nieuw werk maken.

Volgens Coelewij, conservator van Stedelijk Museum Bureau Amsterdam, en Van Roosmalen, stadsconservator van Rotterdam, kostte het niet veel moeite om tot deze keuze te komen. “We hebben allebei een kort lijstje met voorkeuren gemaakt, en op allebei bleken zowel Oorebeek als Mik voor te komen”, aldus Van Roosmalen. Coelewij: “We wilden twee kunstenaars die meer zouden doen dan hun eigen terrein afbakenen en hun eigen werk zo goed mogelijk neerzetten. Mik en Oorebeek zijn kunstenaars die open staan voor anderen en zich rekenschap geven van de situatie waarin ze terecht komen. We hopen dan ook dat ze zullen samenwerken om tot één sterke presentatie te komen.”

Aernout Mik (Groningen, 1962) houdt zich vooral bezig met het uit hun alledaagse context tillen van voorwerpen of gebeurtenissen. Mik maakt beelden, maar werkt ook met film, video en fotografie en laat regelmatig levende mensen of dieren in zijn werk optreden. Een van zijn bekendste werken is Voorwerpen achter te laten in treinen: een tafel waarop onder meer een enorm blik tonijn, een stapel samengeperste truien en overhemden en een in plexiglas gegoten geroosterde boterham te zien zijn. Door de titel wil Mik de toeschouwer uitnodigen om zijn eigen associaties op de verzameling los te laten. Mik deed onder andere mee aan de tentoonstelingen Peiling (Centraal Museum, Utrecht, 1993), Wild Walls (Stedelijk Museum, Amsterdam, 1995) en ID (Van Abbemuseum, Eindhoven, 1996-97).

Willem Oorbeek (Pernis, 1953) maakt litho's van foto's, teksten en bestaand drukwerk die hij verwerkt in wandvullende installaties. Zijn werk gaat over de wijze waarop drukwerk een rol speelt in kunst; hij refereert ook vaak aan de populaire cultuur van fotomodellen en advertenties. Op dit moment is zijn installatie Muren te zien in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. Oorbeek had in 1994 een solo-tentoonsteling in Witte de With in Rotterdam en nam onder andere deel aan de Prix de Rome (Museum Fodor, Amsterdam, 1988). Op dit moment is er werk van hem te zien op de tentoonstelling Lost in Space in het Kunstmuseum Luzern.

Met de keuze voor Mik en Oorebeek, die in het Nederlandse paviljoen de opvolgers zijn van Marlene Dumas, Marijke van Warmerdam en Maria Roosen, komen Coelewij (1964) en Van Roosmalen (1959) redelijk tegemoet aan de verwachting die de Mondriaanstichting had uitgesproken bij hun benoeming, twee weken geleden. Directeur Melle Daamen stelde toen dat hij met de keuze voor twee 'jongere conservatoren' een presentatie van een 'jongere generatie kunstenaars' hoopte te krijgen, als aanvulling op de tentoonstelling van twintigste-eeuwse kunst uit Nederland en Vlaanderen die tijdens de Biennale te zien zal zijn in het Palazzo Grassi. “We zijn heel tevreden met de keuze voor Mik en Oorebeek”, aldus Daamen nu. “Oorebeek is misschien niet piepjong meer, maar daar staat tegenover dat ze geen van beiden tot de geijkte dijenkletsers van de Nederlandse kunst behoren.”

Zelf zeggen Coelewij en Van Roosmalen zich weinig van het jeugdige stigma te hebben aangetrokken. Ook zeggen ze nauwelijks rekening te hebben gehouden met de 'Eurovisie Songfestival-sfeer' die altijd enigszins rond de Biennale hangt. Coelewij: “Onze keuze is niet uit enig nationalistisch besef gemaakt. Of deze kunstenaars 'typisch Nederlands' zijn weet ik niet, en eigenlijk vind ik dat ook niet belangrijk. We hebben voor ze gekozen omdat hun werk goed aansluit bij de internationale ontwikkelingen, de discussies over de werking van het beeld, het belang van reprodukties. Je zou kunnen zeggen dat hun precieze werkwijze, met veel oog voor detail Nederlands is, maar dat is dan ook alles.”

Zowel Mik als Oorebeek, die nog geen interviews willen geven, gelden als moeilijk toegankelijke kunstenaars, die complexe sculpturen maken. Zijn de conservatoren niet bang dat de toeschouwers daar op zo'n grote, haastige tentoonstelling te weinig tijd voor zullen nemen? Arno van Roosmalen: “Er zit een risico in deze keuze, maar dat hebben we bewust willen nemen. We denken dat Mik en Oorebeek zulke sterke beelden maken dat de toeschouwers, als ze het paviljoen binnenkomen, nieuwsgierig worden en blijven kijken, ook al begrijpen ze ze niet onmiddellijk. We hadden ook op safe kunnen spelen en een kunstenaar netjes een rijtje schilderijen laten ophangen. Een samenwerking als deze vinden we echter veel interessanter. Maar inderdaad: Oorebeek en Mik zullen niet als de Mouth & MacNeal van de Biennale de geschiedenis ingaan.”