Het denken van de bisschop van Haarlem ontspoort

De rooms-katholieke kerk is veel ruimhartiger dan vaak wordt gedacht en maakt zich niet schuldig aan religieus absolutisme, schreef bisschop Bomers in deze krant op 30 januari. Herman Philipse vindt de bisschoppelijke repliek op zijn pleidooi voor het atheïsme niet overtuigend.

Heeft het zin kritisch na te denken over de inhoud van godsdienstig geloof? Peter van Rooden, werkzaam bij de Onderzoeksgroep Godsdienst en Maatschappij van de UvA, meent van niet. “Gelovigen denken niet na”, schrijft hij in antwoord op mijn stuk van 20 januari, en “dat is niet omdat ze geloven, maar omdat ze mensen zijn en mensen niet nadenken over wat voor hen vanzelf spreekt”. Uit deze sociaal-wetenschappelijke constatering van menselijke onnadenkendheid concludeert Van Rooden dat het ook geen zin heeft met nadenken te beginnen, want: “argumenten verzinnen doen alleen intellectuelen en zij spreken elkaar tegen”. Waarlijk een verrassende geloofsbekentenis voor een intellectueel die zijn salaris verdient aan de Universiteit van Amsterdam! Als argumenten werkelijk niets waard waren, omdat ze alle even goed of slecht zijn, dan had wetenschap niet kunnen ontstaan en was de mens het stadium van de holbewoner nooit ontstegen. Ik zal Van Roodens apologia pro vita sua laten voor wat ze is. Met iemand die argumenten minacht kan men niet discussiëren.

Op 20 januari probeerde ik naar aanleiding van de excommunicatie van de Sri-Lankese pater Balasuriya door het Vaticaan zo onbevoordeeld mogelijk de wijsgerige dilemma's te doordenken die de pluraliteit van godsdiensten voor de gelovige oproept. Ik kwam tot de conclusie dat er voor een redelijk mens maar één bonafide positie bestaat in het geestelijk leven: het atheïsme.

De Haarlemse bisschop, H. Bomers, poogt mijn redenering te diskwalificeren als “gedachtenspinsels met een hoge graad van abstractie” over “een onderwerp waar hij (Philipse) klaarblijkelijk niets van weet en zelfs niet de moeite neemt zich erover te informeren” (NRC Handelsblad, 30 januari). Volgens de bisschop is “tegen de redenering niets in te brengen, alleen ze heeft niets met de werkelijkheid te maken”, omdat mijn premissen onjuist zouden zijn. Maar zijn ze onjuist?

In mijn stuk stelde ik, kardinaal Ratzinger citerend, dat Rome de filosofische doctrine van het religieuze absolutisme huldigt. Dit is de leer dat de eigen geloofsovertuiging absoluut waar is omdat ze het geschenk is van God, zodat andere godsdiensten, voor zover ze de eigen godsdienst tegenspreken, onwaar moeten zijn. Getuigt mijn stelling werkelijk van onwetendheid omtrent het katholieke geloof? Wat bisschop Bomers aanvoert, ondersteunt juist mijn stelling. Hij citeert de verklaring 'Nostra aetate' van het Tweede Vaticaans Concilie, waarin onder meer wordt gezegd: (1) “de Katholieke Kerk verwerpt niets van datgene wat in deze (niet-christelijke) godsdiensten waar en heilig is”, terwijl deze godsdiensten (2) “niet zelden een straal weerspiegelen van die Waarheid welke alle mensen verlicht”. Het Concilie geeft ook te kennen dat de waarheid bestaat in: “de Christus, die de weg, de waarheid en het leven is”.

Deze tekst lijkt te getuigen van grote openheid voor andere godsdiensten, maar in feite is het tegendeel het geval. Want wanneer men (1) en (2) in onderling verband leest, moet men concluderen dat Rome andere religieuze doctrines verwerpt tenzij deze waar zijn omdat ze een straal van de christelijke waarheid uitdrukken. Laat bisschop Bomers de teksten van het Tweede Vaticaans Concilie nog eens analyseren voordat hij de beschuldiging uitspreekt dat “prof. Philipse blijk geeft gewoon niet te weten wat de RK Kerk over andere godsdiensten leert”.

Ook mijn stuk heeft de bisschop niet helemaal goed gelezen. Rome verwerpt, zo schreef ik, het religieuze relativisme - de doctrine dat in alle religies evenveel waarheid steekt - ook al is dit relativisme “een goede basis voor de religieuze tolerantie die de moderne wereld zozeer nodig heeft”. Ik had het hier onmiskenbaar over tolerantie als houding van individuele mensen. Bomers verwart deze notie van individuele tolerantie met godsdienstvrijheid als staatkundig grondrecht en verwijt mij op basis van deze begripsverwarring wederom dat mijn kennis van de Roomse leer “hopeloos gebrekkig” is. Het Tweede Vaticaans Concilie onderschreef in 1965 het recht op godsdienstvrijheid,zoals Bomers aanvoert. In mijn stuk suggereer ik echter nergens dat Rome het recht op godsdienstvrijheid niet erkent. Het zou ook schandelijk zijn als Rome dit grondrecht niet zou aanvaarden, dat is opgenomen in de Verklaring van de Rechten van de Mens. Bovendien kwam erkenning van het grondrecht van godsdienstvrijheid Rome goed van pas in de strijd tegen communistische dictaturen die christenen vervolgen. Maar het grondrecht van godsdienstvrijheid, een recht dat staten verlenen aan hun burgers, is iets heel anders dan tolerantie als houding van individuele mensen, en dat is de tolerantie waar ik het over had.

Tolerantie in deze laatste zin betekent natuurlijk niet dat men niet moet proberen door onderzoek en discussie de waarheid te achterhalen of dat men niet zou mogen opkomen voor eigen overtuigingen. Het is eerder een bepaalde houding die men aanneemt tegenover andersdenkenden: men gaat met hen in discussie, blijft daarbij steeds wellevend en tracht zich in het standpunt van de andere te verplaatsen. Als men meent dat de ander ongelijk heeft, probeert men goede argumenten aan te voeren in plaats van de andersdenkende onheus te bejegenen.

Geeft bisschop Bomers blijk van tolerantie in deze zin wanneer hij mij beschuldigt van “onvoorstelbare suffigheid”, “blakend triomfalisme”, “onbescheidenheid”, en een “superioriteitsgevoel”? Of passen deze (dis)kwalificaties eerder in de eeuwenoude strategie van Rome om kritisch nadenken over het katholieke geloof te ontmoedigen? Religieus absolutisme leidt gemakkelijk tot intolerantie omdat men meent dat de eigen overtuiging ingegeven is door een onfeilbare God, zodat de andersdenkende wel ongelijk moet hebben.

Bomers gaat tot slot in op mijn stelling dat alleen de atheïst beschikt over een theorie die alle geloofsverschijnselen tegelijk kan verklaren zonder de regels voor wetenschappelijke verklaringen te schenden, de projectietheorie. Hij meent dat “prof. Philipse de strekking van deze theorie niet doorziet” en lanceert zelf een verrassende variant ervan.

Volgens de standaardversie van de projectietheorie, die Bomers afwijst, geloven mensen in God en de hemel onder meer omdat ze het in hun aardse leven beroerd hebben en dit geloof hun troost biedt. Dit is de versie die Bomers verwerpt, en wel op de volgende gronden. In de eerste plaats vindt hij het “erg onwaarschijnlijk” dat mensen in God en een hemel geloven om daarin troost te vinden. Ten tweede wijst hij op een logische moeilijkheid. De aanhangers van de projectietheorie, die ervan uitgaan dat God en de hemel niet werkelijk bestaan, “moeten inzichtelijk kunnen maken hoe een niet werkelijk bestaande hemel toch echte troost kan bieden”. Een derde, zijns inziens fataal argument tegen de traditionele projectietheorie is volgens Bomers dat “je je, om in de hemel te komen, nu op aarde tal van moeilijke dingen moet opleggen”.

Bomers' eigen variant van de projectietheorie gaat ervan uit dat God en de hemel wèl werkelijk bestaan. In dat geval “laat het zich indenken dat iemand,overeenkomstig de werking van de projectietheorie, zich een werkelijkheid droomt waarin geen straffende hand van God voorkomt. (...) De projectietheorie blijkt daarmee veel toepasbaarder te zijn op het atheïsme dan op het geloof.”

Bomers eindigt zijn brief in herderlijke toonzetting: “Het zou geen kwaad kunnen als Philipse daar eens goed over zou nadenken. Daarin is de enige begaanbare uitweg gelegen die ik hem kan bieden”. Laat de lezer goed beseffen wat bisschop Bomers hier suggereert. Hij suggereert dat mijn zonden zo immens zijn dat ik niet kan hopen op vergeving door de christelijke god, ofschoon die god zelfs moordenaars vergeeft, mits ze zich maar bekeren en berouw tonen. Dat zou dan de reden zijn waarom ik het bestaan van God en hiernamaals ontken. Als Bomers consequent is, moet hij hetzelfde motief toeschrijven aan gelovigen die geen hel aannemen, zoals vele protestanten en katholieken.

Waarop baseert de bisschop deze inschatting van mijn (en hun) morele gehalte? Dat ik het atheïsme verdedig kan niet het argument zijn. Want als Bomers gelijk heeft, is dat atheïsme slechts het gevolg van mijn (en hun) algehele verderfelijkheid. Hoe komt Bomers dan bij zijn negatieve appreciatie van mijn persoon, die hij vervolgens weer toedekt met zijn herderlijke mantel? Kennelijk gaat hij uit van het beginsel: wie het christelijk geloof verwerpt, moet wel een onmetelijke schurk zijn.

Dit is nu precies een symptoom van het religieuze absolutisme dat ik aan het katholieke geloof toeschreef. Bomers overschat bovendien het toepassingsbereik van de projectietheorie. Men mag pas grijpen naar een psychologische theorie ter verklaring van het feit dat een persoon er een overtuiging op na houdt, wanneer deze overtuiging kennelijk niet op redelijke gronden berust. Voert iemand wèl redelijke gronden aan, dan kunnen die gronden verklaren dat de overtuiging gehuldigd wordt en zal men op de argumenten in moeten gaan. Een lichtvaardige toepassing van de projectietheorie leidt dus tot miskenning van de ander als redelijk persoon: in plaats van te discussiëren gaat men psychologiseren.

Er zijn goede argumenten om het bestaan van een hiernamaals te ontkennen. Ons lichaam wordt na de dood verbrand of gaat tot ontbinding over, zodat lichamelijke opstanding uitgesloten is. Geloof in een louter geestelijke opstanding, zoals prof. Kuitert aanhangt, is onverenigbaar met het wetenschappelijk goed bevestigde feit dat geestelijk leven onmogelijk is zonder hersenactiviteit. Religieus geloof in het hiernamaals (en, zoals ik elders uitvoerig heb betoogd, in goden) is gezien de huidige stand van wetenschappelijke kennis onredelijk. Daarom is de projectietheorie wel van toepassing op de gelovige en niet op de atheïst.

Overigens is de projectietheorie niet de enige mogelijke verklaring voor het feit dat een individu gelooft in het bestaan van hemel en God. Men kan het geloof in de vroege jeugd hebben opgedaan en het behouden omdat men er nooit kritisch over nadenkt. Ik beweer niet dat de projectietheorie juist is. Mijn stelling was slechts dat alleen een atheïst over theorieën kan beschikken die elk geloof verklaren zonder daarbij de regels voor wetenschappelijk redeneren te schenden. Die stelling staat geheel overeind en de protesten van de bisschop gaan langs de zaak heen.

Het zal de lezer niet moeilijk vallen de drie argumenten van bisschop Bomers tegen de projectietheorie te ontzenuwen. Ik volsta met tegenover Bomers' herderlijke vermaning het credo van de filosoof te stellen: kritisch nadenken loont altijd de moeite, vooral wanneer het gaat over dingen die we vanzelfsprekend vinden. Zo kan men zich ontdoen van geloofsovertuigingen die stammen uit een intellectueel primitiever stadium van de menselijke ontwikkeling en die onhoudbaar blijken in het licht van moderne wetenschap.

De verhalen in de Bijbel kunnen natuurlijk ook atheïsten blijven inspireren, evenals de Griekse tragedies of mythen over goden. Maar een morele of andere autoriteit kan men er niet meer aan ontlenen, ofschoon het Vaticaan dit waarschijnlijk nog eeuwen zal proberen. En gezien de onnadenkendheid van de mens, die Peter van Rooden wetenschappelijk heeft vastgesteld, zal men er nog in trappen ook.