Euthanasie

In geval van euthanasie zou toetsing vóóraf wel eens de oplossing voor vele vragen kunnen betekenen. De meeste artsen die geconfronteerd worden met een vraag naar euthanasie hebben het er moeilijk mee.

Afgezien van de zeldzame echte noodgevallen, waarbij het lijden niet afdoende kan worden verlicht en doorbehandelen/-leven daardoor een noodtoestand voor arts èn patiënt oplevert, betekent de vraag om euthanasie meestal een vraag om het stervensproces over te slaan. Velen willen de periode van ontluistering, het afhankelijk worden, gewassen, verzorgd en gevoerd moeten worden, niet meemaken, en vragen om euthanasie als het eigenlijke stervensproces nog moet beginnen.

Sommige artsen hebben hier geen moeite mee, sommige andere artsen weigeren, en de meeste komen in een moeilijke, oneigenlijke, afweging terecht. Hoe kan je van iemand vragen het normale stervensproces, met aanvaarding van het einde als een verlossing, met inbegrip van de nog vaak essentiële levenservaringen voor patiënt en familie, te accepteren en door te maken? Je kan het iemand wel gunnen, maar niet opdringen.

De behandelend arts ontvalt de legitimatie tot behandelen zodra de patiënt om euthanasie vraagt. Als de samenleving de euthanasie wil toestaan in noodgevallen, dan is alleen een toetsing vooraf effectief. De toetsingscommissie dient een afspiegeling te zijn van wat er in de samenleving leeft. Dit heeft tot gevolg dat:

- De patiënt is bevrijd van de willekeur van de individuele arts, en in alle gevallen een zorgvuldige afweging krijgt;

- De arts is ontslagen van de onmogelijke keuze een patiënt door te behandelen die dat niet meer wil, ofwel in te gaan op een verzoek om euthanasie op een moment dat naar zijn oordeel (nog) geen sprake is van een noodsituatie;

- De maatschappij tenslotte de kans krijgt dat euthanasie altijd wordt gemeld. De individuele arts hoeft immers niet meer vervolgd te worden. De omvang van het vraagstuk wordt helder, en de euthanasie kan uit het strafrecht verdwijnen.