De open deur van Europa

“De situatie is onhoudbaar, signora”, zegt Salvatore Martello, burgemeester van het Italiaanse eiland Lampedusa, het zuidelijkste puntje van Europa. “Ons eiland is de open deur van Europa. De immigranten vanuit Tunesië, tachtig kilometer hier vandaan, blijven komen. In gammele bootjes, op vlotten, het kan ze niet schelen.”

Twee keer in mijn leven bezocht ik Lampedusa, een eiland waar eeuwenlang niets gebeurde en waar hier in Nederland niemand ooit van heeft gehoord. Wel kent een enkeling Giuseppe di Lampedusa (1896-1957), schrijver van de roman 'Il Gattopardo' (De Tijgerkat). Zijn eigenlijke naam was Giuseppe Tomasi, maar al vanaf 1630 mochten de Tomasi's zich van vader op zoon eerst capostipite, vervolgens (sinds 1667) principe van Lampedusa noemen. Giuseppe was de laatste prins, want hij stierf kinderloos. Overigens hebben hij noch zijn voorouders ooit de moeite genomen het familiebezit Lampedusa te bezoeken. Liever bleven de Tomasi's in hun familiepaleis in Palermo. Nou ja, zo mooi is dit kale, brandend hete godvergeten kalksteenplateau midden in de Middellandse Zee inderdaad niet. En het leven is er evenmin gemakkelijk: una vita dura, een hard leven leiden we hier, vertelden de bewoners mij toen ik Lampedusa in april 1986 voor het eerst bezocht. Ik was toen bezig met een boek over alle 32 Italiaanse kleine eilanden en trok daarvoor van eiland naar eiland. Dus ook naar de zo afgelegen Pelagische archipel, 312 kilometer ten zuiden van Palermo, bestaande uit Lampedusa (4.450 inwoners), het kleinere Linosa (450 inwoners) en de onbewoonde zeeklip Lampione. Maar in 1986 rommelde het nogal in het Middellandse Zee-gebied. De Amerikanen hadden enige Libische doelen gebombardeerd en de Libische leider Gaddafi dreigde met vergelding. In Rome belde ik daarom voor de zekerheid onze ambassade. “Lampedusa? Waar ligt dat”, vroeg de dienstdoende diplomaat. Hij adviseerde mij gewoon te gaan, 'niets aan de hand'. Maar dat liep anders. Zodra ik op Lampedusa voet aan wal had gezet, ging ik naar het gemeentehuis waar ik een afspraak had met de (toenmalige) burgemeester Giovanni Fragapane. Maar we hadden nog geen twintig woorden gewisseld of het ging van retteke-tetteke-tet! Onze oren tuitten - het leek wel of honderden ruiten werden ingeslagen. De burgemeester en ik renden de trap op, naar het platte dak. Overal om ons heen zagen we mensen naar buiten komen, schreeuwend en zwaaiend met de armen. Fragapane had geen tijd meer voor me - opperste paniek was uitgebroken, alle telefoons rinkelden, mensen bonsden op de deur van het stadhuis. De Libische leider Gaddafi had wraak genomen: vanuit Tripoli had hij twee raketten afgevuurd op het armzalige Lampedusa, dat op een afstand van 355 kilometer van de Libische hoofdstad het toevallig dichtstbij gelegen stuk Europa was. Binnen een half uur was Lampedusa het centrum van de wereld. Journalisten, politici, militairen uit de hele wereld vlogen af en aan, met de Italiaanse premier Giulio Andreotti voorop. De meesten hunner hadden nog nooit van Lampedusa gehoord, maar dat gaf niet: het eiland, en daarmee Italië, was in volle vredestijd aangevallen, de eerste keer sinds 1945! De bewoners renden in opperste paniek rond. Een flink aantal besloot zich, voorzien van dekens en proviand, in de grotten te verschuilen voor het geval er nog een aanval volgde. Anderen ontrolden voor de verzamelde wereldpers en Italiaanse regeringsvertegenwoordigers haastig gemaakte spandoeken met teksten als: “Wij willen Italianen blijven”, en “Wij verwachtten toeristen, maar er kwamen raketten”. Ook mij werd een taak toebedeeld: als tolk en ooggetuige mocht ik opdraven voor diverse buitenlandse tv-camera's om mijn persoonlijk verslag te doen. Zo werd het eiland plotsklaps brandpunt van de wereld - maar niet lang. Na een paar dagen vlogen de hooggeplaatsten, geëscorteerd door militaire vliegtuigen - je weet maar nooit - terug naar hun residenties, en Lampedusa verdween uit hun gedachten.

Tien jaar later bezoek ik voor een herdruk van mijn boek de eilanden opnieuw. En zowaar staat Lampedusa weer in de schijnwerpers: nu vanwege de toestroom van illegalen vanuit Tunesië. Zo'n drieduizend vluchtelingen bereikten in 1996 in gammele bootjes de Lampedusaanse kust, soms zo'n honderd per nacht. “Het lijkt hier wel oorlog”, klaagt burgemeester Martello, “kijk eens naar al die militairen met pantserwagens en helikopters. Maar het is een zinloze oorlog. Want de immigranten die aan land gaan worden keurig netjes naar Sicilië gebracht, waar ze twee weken de tijd krijgen om in beroep te gaan tegen hun uitzetting. Omdat ze dan vrij mogen rondlopen, duiken vrijwel alle vluchtelingen onder en steken vervolgens over naar het vasteland.

“Een onhoudbare situatie, signora!” Salvatore Martello, geboren Lampedusaan en partijloos, weet wel een oplossing: internering van de vluchtelingen om ontsnappen te voorkomen. “Maar door onderlinge competentiekwesties kan geen besluit worden genomen. En zo blijft Lampedusa de open deur van Europa. Beseffen ze dat eigenlijk wel bij u daar, in het verre noorden?”