Arbeidsongeschiktheid

Verzekeringsarts Maria van den Toorn schrijft over arbeidsongeschiktheid in de WAO en haar taak daarin (31 januari). Ze noemt het vaststellen van eventuele beperkingen en van het arbeidsvermogen volgens het nieuwe medisch arbeidsongeschiktheidscriterium, maar de rol van de diverse spelers hierin wordt daarmee nog niet duidelijk.

De centrale bepaling van de WAO (artikel 18) beschouwt sinds de invoering in 1976 arbeidsongeschiktheid als de mate van verlies aan verdiencapaciteit wegens medische beperkingen ten opzichte van een vergelijkbaar gezond persoon. Deze beperkingen stelt de verzekeringsarts vast. Daarna beoordeelt de arbeidsdeskundige of betrokkene zijn eigen werk nog aankan, zo nee of hij met de verdiensten uit ander algemeen geaccepteerd werk een relevant verdienverlies heeft en hoe groot dat is.

De rechter heeft sinds 1973 met enige regelmaat in zijn uitspraken laten blijken dat het begrip arbeidsongeschiktheid te ruim werd uitgelegd. De wetgever had de (advisering en) uitvoering in handen gelegd van de belangenorganisaties van werkgevers en werknemers. Deze legden dat rechterlijk oordeel naast zich neer. De uitvoering van de wet is volledig uit de hand gelopen (zie Kamerenquête). Ten slotte heeft de wetgever ingegrepen, enigszins in 1987 en verder in 1993, mede in de zin van de rechtspraak. Deze rechter is zoals de schrijfster aangeeft geen medisch beroepsbeoefenaar; hij raadpleegt wel regelmatig externe deskundigen met een gerichte vraagstelling.

Het is hopelijk duidelijk dat vaststelling van arbeidsongeschiktheid volgens de WAO, in tegenstelling tot vele buitenlandse stelsels, niet alleen een kwestie is van medische beoordeling.