Als de herinneringen bovenkomen

Het zou het understatement van de dag zijn om André Drogink een ongewone verdachte te noemen. Drogink is een bezienswaardigheid. Hij zit voor zijn rechters met het air van iemand die zich heeft voorgenomen de wereld een blik op de bodem van zijn bestaan te gunnen. Dit moet het belangrijkste uur van zijn leven worden. Koppen dicht allemaal, André is aan het woord. Hij heeft lang genoeg zijn smoel moeten houden, zijn hele leven eigenlijk al.

Mr. S. Donker, de voorzittende rechter van de Haagse rechtbank, laat het geduldig over zich heenkomen. Hij beseft kennelijk hoe belangrijk het voor Drogink is om het allemaal zélf eens te kunnen vertellen.

Het bijzondere van Drogink is bovendien dat hij het boetekleed aantrekt met een bereidwilligheid die aan het masochistische grenst. Achter hem zitten drie bejaarde dames van een diaconie uit Den Haag. Hij had hun een geldbedragje te leen gevraagd. De middelste had het schriftelijk toegezegd, maar toen hij het geld kwam afhalen, bleken haar twee vriendinnen er tegen te zijn. Een handgemeen volgde, aan het einde waarvan de drie dames bovenop Drogink zaten. De bril van de middelste mevrouw was toen inmiddels wél grondig vernield. Zij eist daarvoor een schadevergoeding van vierhonderd gulden.

Drogink draait zich naar de dames om. “Ten eerste mijn excuses”, zegt hij, “u wilde me tenslotte helpen. Ik zou u graag betalen, maar ik heb gewoon het geld niet. Je sociale uitkering wordt stopgezet zodra je in de gevangenis zit.”

Drogink is een 31-jarige junk met een strafregister van twintig dichtbetikte vellen. Geen halsmisdaden, maar veel inbraken en afpersingen. Vandaag staat hij terecht voor een tweetal afpersingen en voor een (lichte) mishandeling. In het eerste geval had hij een pastoor in zijn kerk bedreigd. De pastoor wilde geen geld geven, waarna Drogink hem onder de dreiging van een aardappelschilmesje 250 gulden had afgeperst. In een ander geval had hij een man op straat een bloedneus geslagen. De man had zijn verzoek afgewezen om geld te wisselen. Gepast geld was op dat moment van levensbelang voor Drogink omdat dealers dat van hun klanten eisen.

Het Pieter Baan Centrum heeft een rapport opgesteld over Drogink, en de rechter stelt hem in de gelegenheid daarop te reageren. In opvallend goed gekozen bewoordingen begint Drogink aan een onstuitbare monoloog. De observatie in het PBC heeft hij zélf gewild, want hij streeft naar tbs met verpleging, alsof het om een snoepreisje naar de Bahama's gaat.

“Ik wil mijn leven weer op orde krijgen”, zegt hij. “Ik had nooit eerder met psychiaters gesproken, ik liep niet bij de Riagg. Uit die gesprekken bleek dat het nog meevalt met mijn verslaving. Maar er zijn zoveel dingen in mijn leven gebeurd die mij misvormd hebben... Ik wil niets goedpraten, zeker niet tegenover deze dames, maar men moet wel beseffen dat ik niet vanuit een normaal gezin de maatschappij ben ingerold.

“Er zijn tijdens die gesprekken kleine dingen bovengekomen die ik niet meer wist. Dat de moeder van mijn grootmoeder zich heeft verdronken met een broer. Mijn eigen moeder is mishandeld door mijn vader. Mijn vroegste herinnering stamt uit Leidschendam, ik zie vanuit een kast hoe mijn vader mijn moeder aan haar haren door de kamer sleurt, en ik hoor mezelf zeggen: blijf van haar af.

“Ik was altijd de underdog, de pispaal, ook op school. Ik had vreemde ogen en al op mijn veertiende een kunstgebit. Ik heb daarover nooit meer nagedacht, ik heb jarenlang niet gehuild, maar in het Pieter Baan kwam het allemaal boven. Ik ben beschadigd, zeggen ze daar.”

“En u heeft veel wrok”, zegt de rechter.

“Ja. Ik heb zoveel geprobeerd, maar de maatschappij gaf mij op het laatst geen kansen meer. Als ik in Kralingen stond te schilderen, waarschuwde de politie de mensen: die jongen heeft gezeten. Zelfs bij de vuilnisophaaldienst namen ze me niet aan vanwege mijn verleden. Het systeem is oneerlijk. De drugs worden nota bene ingevoerd met medeweten van justitie.

“Ik heb weinig ruggengraat meegekregen. Een maand na het overlijden van mijn vader werd ik in een katholiek internaat geplaatst. Mijn moeder had allerlei wisselende partners, daar kon ik niet blijven. Al die dingen probeer je later met drugs te verdringen.”

“U heeft een gedicht geschreven. Zal ik dat voorlezen?”

Drogink knikt. De rechter declameert met vaste stem. Er zijn flarden te noteren als: “Hopeloos is de weg die ik moet gaan, opgeslokt door de massa....ik voel een intense haat tegen de ontwerpers van mijn leven...hoe moet ik ze ophangen aan het touw van de feiten die mijn leven hebben bepaald...”

Als de rechter is uitgelezen, zegt Drogink: “Het is symbolisch. Ik heb een wond waarvan ik de hechtingen voor een deel heb losgetrokken. De rest kan ik niet weghalen, want de gevangenis is als een vrieskist, de bewaarders zijn niet competent om je te begrijpen, je krijgt er geen behandeling.”

Drogink geniet van het pathos van zijn eigen woorden, maar het is een genot dat je hem als toehoorder gunt, want het is het pathos van een oprechte amateur.

De rechter citeert uit de rapportage van het PBC. Men noemt Drogink verminderd toerekeningsvatbaar, iemand die sinds zijn puberteit in een vicieuze cirkel zit. Hij is zeer wantrouwig en allergisch voor afwijzingen. Bij ontslag zou hij meteen zijn drugsrituelen hernemen. Hij heeft immers 'steeds minder te verliezen'.

“De laatste keer werd ik drie maanden eerder uit de gevangenis naar huis gestuurd - een huis dat ik niet had”, vertelt Drogink. “Het was de dag voor kerstmis. 'Jongen pak je spullen, je kunt weg.' Ik kreeg wat prozac mee, daar kon ik het mee doen. De politie stuurde me naar het Leger des Heils, daar heb ik de kerstdagen doorgebracht. Nazorg is er alleen voor first offenders. Ik stond op de kouwe straat. Het is zó onredelijk... Ik geloof in God maar ik haat die kerk als instituut... Muskens zegt dat we brood mogen stelen, maar laat hij die gouden kruisen maar omsmelten en het geld aan de armen geven.”

De katholieke internaten uit zijn jeugd hebben de verdachte niet milder gestemd over het roomse geloof. Eigenlijk heeft hij in zijn leven maar één gelukkige periode gekend: toen hij met zijn vriend een drugsvriendelijk theehuisje runde. Tien jaar geleden werd zijn vriend - tevens zijn geliefde - vermoord. Daarna ging het versneld bergafwaarts.

“Ik wil een normaal leven gaan leiden”, zegt hij, “maar ik kan dat nu nog niet aan.”

“U begrijpt dat een tbs-behandeling behoorlijk diepgaand zal zijn?” vraagt zijn advocaat, mr. H. Gelderloos, hem.

Dat begrijpt hij, maar hij wil niet anders.

De officier van justitie, mevrouw mr. D. van Boetzelaer, eist een jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf en tbs met verpleging.

(Het vonnis, twee weken later: conform de eis.)

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.