Zuinig op het rode erfgoed; Roel Janssen is redacteur van NRC Handelsblad.

Op de voorgrond van het schilderij staan drie frisse, jonge meiden in vrijetijdskleding. In pasteltinten kijken ze monter de toekomst tegemoet en ze zien er uit zoals de schilder meende dat moderne jongeren afgebeeld dienden te worden. Ze dragen spijkerbroeken en pittige hoofddoekjes, één heeft gymschoenen aan, een ander een witte blouse die net onder de borsten is dichtgeknoopt.

De drie meisjes maken deel uit van een brigade van de Komsomol, de jeugdbeweging van de Sovjet-Unie, en ze werken aan de aanleg van de Bajkal-Amoer Magistral, een spoorwegproject in Zuidoost-Siberië dat in de jaren dertig is begonnen en pas begin jaren tachtig werd afgebouwd. Op de achtergrond van het schilderij zijn bergen te zien, gespierde arbeiders, socialistische vrachtauto's en zware machines.

Het schilderij hangt in het museum van Nizjny Novgorod, de derde stad van Rusland, vijfhonderd kilometer ten oosten van Moskou aan de Wolga. Het museum, binnen de muren van het kremlin van deze stad, bevat een schitterende collectie ikonen, traditionele portretten uit de tijd van het tsarisme en een tiental schilderijen uit de Sovjet-periode. Behalve de vrijwilligsters bij de BAM-spoorlijn zijn er een enorm portret van vadertje Lenin omringd door blije kinderen, een schilderij van een massademonstratie bij de 1 mei-viering, het leven in een kolchoz, een constructivistische verheerlijking van de machine, de aankondiging van het staakt-het-vuren in 1917 en een schilderij van een groepje frontsoldaten (1943) die zich verfrissen in de sneeuw te bezichtigen. Alles bij elkaar is het niet veel, maar het maakt deel uit van het cultureel erfgoed van het communisme.

Na 1990-'92 zijn in de onafhankelijke republieken die ontstonden uit de verkruimeling van de Sovjet-Unie de beelden van Lenin omvergetrokken en de musea van de revolutie gesloten. Het constructivisme uit het begin van de jaren twintig krijgt wel internationale artistieke erkenning, maar het socialistisch realisme en de zoetsappigheid uit de Stalinperiode, de agit-prop kunst, de voorzichtige pogingen tot progressiviteit uit de jaren van de détente, de gehele santekraam van beeldende-kunstuitingen uit de Sovjet-periode is weggedrongen. Vaak zelfs letterlijk weggestopt, zoals enkele jaren geleden bleek in het voormalige Lenin-museum in de Oekraïense hoofdstad Kiev. In de hal van het gebouw dat was omgevormd tot een centrum voor kunstnijverheid, was het beeld van Lenin verdwenen achter een houten bekisting en was een serie immense wandtapijten met afbeeldingen van de verworvenheden van het socialisme verborgen achter grote panelen. In een enkele ex-Sovjetstad staat nog wel een Leninbeeld, maar de socialistische kunst in het onmetelijke voormalige Sovjetrijk kwijnt in snel tempo weg.

Kunst is niet alleen een kwestie van smaak, maar ook - of misschien wel vooral - een artistieke uitdrukking van een tijdsgewricht met de bijbehorende ideologie van de samenleving. Daarin verschilt Sovjetkunst niet van de Nederlandse schildertraditie uit de Gouden Eeuw of van het laatnegentiende-eeuwse Franse impressionisme.

Het politieke en economische stelsel dat in de schilder- en beeldhouwwerken van de Sovjet-Unie zijn artistieke neerslag heeft gevonden, heeft de geschiedenis van de twintigste eeuw in verregaande mate bepaald. Het leninistische model van het communisme, de terreur van het stalinisme, de praktijk van de eenpartijstaat, de collectivisatie en de centrale-planeconomie hebben niet alleen de Sovjet-Unie gekneed, maar de wereldgebeurtenissen en het leven van een derde van de mensheid verregaand beïnvloed. Het communisme is een inspiratiebron voor revolutionairen geweest, een model voor de Derde Wereld. De strijd om de hegemonie tussen het Westerse kapitalisme en het Sovjetcommunisme heeft de tweede helft van deze eeuw gestalte gegeven.

Maar met de ineenstorting van het communisme dreigt de culturele erfenis van dit tijdperk verloren te gaan. Dit zou niet alleen een vorm van culturele barbarij zijn, maar vooral een historisch schandaal. De herinnering aan het verleden kan na het verdwijnen van het reëel bestaande socialisme slechts in stand worden gehouden door middel van gebouwen, boeken en beeldende kunst.

De UNESCO, de VN-organisatie voor onderwijs, wetenschap en cultuur, hanteert een 'werelderfgoedlijst' waarop monumenten staan die van belang worden geacht voor de culturele geschiedenis van de mensheid. Tot niet zo heel lang geleden flirtte de UNESCO met ideeën over politieke sturing van de kunst of de media door de staat. Dat was in de ideologische jaren zeventig niet ongebruikelijk, maar de VN-organisatie was niet alleen omstreden vanwege het financiële nepotisme van zijn secretaris-generaal M'Bow.

Op de werelderfgoedlijst stonden vorig jaar 469 projecten, waaronder Cuzco (Peru), Ouro Preto (Brazilië), de Borobudur (Indonesië), de Koepel van Hiroshima (Japan) en het Vrijheidsbeeld (VS). In Rusland alleen het Kremlin in Moskou, de Russisch-orthodoxe kloosters rondom Moskou, het Baikalmeer en de bossen van Komi. Nederland staat sinds kort op de lijst met de Stelling van Amsterdam (de forten van de Hollandse Waterlinie) en het silhouet van Schokland, het voormalige Zuiderzee-eiland dat is opgegaan in de Noordoostpolder. Inderdaad, dat zijn monumenten van de vaderlandse geschiedenis. Maar werelderfgoed?

Nederland is altijd een enthousiast donor van de UNESCO geweest (begroting 1997: 9,7 miljoen gulden) en heeft bovendien een bescheiden programma voor eigen cultuurbeleid in de ex-communistische landen. Het verkeert daarom in een uitstekende positie om een internationaal initiatief te nemen.

Staatssecretaris Nuis (Cultuur) moet de UNESCO oproepen om de culturele erfenis van het Sovjetcommunisme tot een monument van de mensheid te verklaren. In ouderwetse Sovjettraditie moet een Comité van intellectuelen en kunstenaars zich achter dit streven stellen. Niet omdat de beelden van Lenin en schilderijen zoals dat van de drie Komsomol-meisjes bij de BAM-spoorlijn zo mooi zijn - al blijft het sociaal-realisme intrigerend - of omdat ze een onschatbare waarde op de internationale kunstmarkt vertegenwoordigen - en ook dat kan veranderen -, maar omdat ze de visuele neerslag vormen van een van de grote totalitaire systemen van deze eeuw. Die herinnering mag niet verloren gaan.