Vonnis Hakkelaarzaak is gekunsteld

Het vonnis in de Hakkelaarzaak, waarin gebruik is gemaakt van deals met criminelen, laat zich lezen als een politieke handreiking, oordeelt Ties Prakken.

De Amsterdamse rechtbank heeft in de Hakkelaarzaak de kroongetuige geaccepteerd door hem niet zo te noemen. Dit lijkt op een soort van juridische etikettenzwendel, wat de rechtbank makkelijk wordt gemaakt doordat de wet noch de kroongetuige noch de deals met criminelen kent.

Over de betekenis van die termen en over het verschil tussen beide verschijnselen is sinds de discussie over het rapport van de commissie-Van Traa het nodige gezegd. Zó veel, dat daarover volgens de rechtbank nu wel consensus bestaat. Op grond daarvan waagt de rechtbank zich nu aan een definitie: “De rechtbank is van oordeel dat van een 'kroongetuige' [...] moet worden gesproken indien een verdachte, een medeverdachte daaronder begrepen, in ruil voor informatie aan politie en justitie een zo vergaande beloning wordt toegezegd dat hij de facto of de jure volledig of nagenoeg volledig van strafvervolging wordt gevrijwaard.”

Als samenvatting van wat ik maar kortheidshalve de discussie-Van Traa noem, klopt dit wel ongeveer. Of dit onderscheid tot een zinvolle invulling van het begrip kroongetuige leidt is een andere kwestie, in ieder geval is de opvatting dat alleen van een kroongetuige gesproken kan worden (met alle eventuele consequenties vandien) wanneer er (bijna) volledige immuniteit is gegarandeerd, uniek in Europa. Dat is niet het ultieme argument tegen, maar toch.

Toegegeven kan worden dat het voor de rechtbank moeilijk is al te ver af te wijken van begripsvorming waarover parlement en regering, de toekomstige wetgever over dit onderwerp dus, het min of meer eens zijn, nu de huidige wet zwijgt. Als de rechtbank dat zou doen zou zij goede juridische argumenten moeten hebben, waardoor een dergelijke uitspraak dan wel niet in de wet, maar wel in het recht zou zijn verankerd. Dat zou van grote moed hebben getuigd. Die moed om een zelfstandige juridische koers te varen heeft de rechtbank niet opgebracht.

Het maken van het onderscheid tussen deals met criminelen en kroongetuigen is in de gekozen optie van groot belang, want de kroongetuige wordt in politiek Den Haag in navolging van de commissie-Van Traa afgewezen, terwijl voor deals met criminelen vermoedelijk een grotere plaats dan nu zal worden ingeruimd.

Nu hebben we daarvoor nog te maken met de sinds 1983 bestaande richtlijn die het gebruik reguleert. Consequent zou daarom zijn geweest wanneer na de ontkenning dat hier van kroongetuigen sprake is, de met Karman en Abbas gesloten contracten zouden zijn getoetst aan die richtlijn. Dat zou - de rechtbank geeft dat ook toe - geleid hebben tot afkeuring van de deals in kwestie, omdat die richtlijn het gebruik wil beperken tot kwesties van leven en dood, of de veiligheid van de staat of de volksgezondheid.

Deze logica kiest de rechtbank echter niet. Zij voegt aan de criteria van de richtlijn er maar vast een toe: “georganiseerde criminaliteit”. Daarmee wordt duidelijk dat zij meer waarde hecht aan een vonnis dat in overeenstemming is met de nog zeer globale politieke consensus op het gebied van wetgeving in voorbereiding dan aan een vonnis dat een toets inhoudt aan de weinige regels die er nu zijn. De rechtbank motiveert dat onder meer met de opvatting dat die regels aan herziening toe zijn. Politiek Den Haag is dan ook tevreden met het vonnis.

Wat nogal gekunsteld aandoet, is de redenering waarmee de rechtbank ook Abbas tot “dealer met het OM” en niet tot “kroongetuige” bestempelt. Heeft Karman in verband met zijn aandeel in de organisatie van de hakkelaar altijd nog ongeveer zes maanden gezeten, Abbas heeft zijn straf helemaal kunnen afkopen met 1,8 miljoen gulden, vermoedelijk een fooi tegen het licht van het vermogen waarover de man beschikt. Daarover zegt de rechtbank dat niet naar de rijkdom van de getuige moet worden gekeken, maar naar het wettelijk kader. Dat voorziet in dit geval in een maximale geldboete van 2,2 miljoen gulden.

Dit lijkt een drogreden, want het wettelijke kader voorziet vooral in gevangenisstraf en die wordt - dat blijkt al uit dit vonnis - niet vervangen door geldboetes bij dit type misdrijven, en zeker niet bij mensen bij wie een geldboete niet als serieuze straf aankomt, omstandigheden die binnen het wettelijk kader natuurlijk door elke rechter worden meegewogen.

Door aan de ene kant meer ruimte te nemen voor deals dan de bestaande richtlijn toelaat en door aan de andere kant met een beroep op het wettelijke kader te stellen dat het afkopen van enige jaren gevangenisstraf door een puissant rijke crimineel er niet op neerkomt dat deze “volledig of nagenoeg volledig van strafvervolging wordt gevrijwaard”, laadt de rechtbank de schijn op zich naar een politiek aanvaardbaar resultaat te hebben toegeredeneerd.

In één opzicht neemt de rechtbank wel afstand van de politiek, namelijk waar zij overweegt dat een verdergaand gebruik van deals als deze het Nederlandse rechtsleven “niet alleen in positieve zin” ingrijpend zal kunnen beïnvloeden. Maar dergelijke rechtspolitieke overwegingen zijn niet aan de rechtbank ter beoordeling, zo stelt zij.

De overweging slaat op de vrees die de commissie-Van Traa ook had, namelijk dat de overheid de regie kwijtraakt en in een ongewenste afhankelijkheidspositie van criminelen terechtkomt. Er zit misschien iets in dat het verdisconteren van dergelijke langere-termijneffecten niet des rechters is. Het is echter te hopen dat de wetgever na dit vonnis (voor het geval het standpunt van de Amsterdamse rechtbank in hoger beroep en cassatie stand zou houden) niet lui wordt en volstaat met de constatering dat “de rechter het ook goed vindt”.

Op dit belangrijke punt staan de integriteit van justitie en politie op het spel bij alle serieuze deals die met criminelen gesloten worden, of die nu tot algehele of gedeeltelijke strafrechtelijke immuniteit van de dealende crimineel leiden en of die laatste nu dealer of kroongetuige genoemd wordt, waarover in ieder geval de wetgever nog maar eens goed moet nadenken.

Wat de zuiver juridische kant van het probleem betreft is het aan de wetgever èn de rechter beiden om goed in de gaten te houden dat niet wordt afgegleden naar een gebruik van kroongetuigen, onder welke naam ook, waardoor de rechten van de verdediging en de betrouwbaarheid van de bewijsvoering in het gedrang komen.

In ieder geval zullen, na de uitbreiding van het strafvorderlijk arsenaal met de kroongetuige, de door de rechter te stellen verplichte vragen aan het begin van elk getuigenverhoor moeten zijn: bent u familie van de verdachte of staat u tot hem in dienstbetrekking? Hebt u een overeenkomst met het openbaar ministerie gesloten?

Alles went.