Vaccin helpt, maakt controle lastig

In de Peel worden uit voorzorg 30.000 varkens in de strijd tegen de varkenspest voortijdig gedood. Bij de verspreiding van het virus spelen veeartsen, castrateurs en handelaren ongewild een belangrijke rol: zij dragen vaak het virus over van het ene bedrijf naar het andere.

ROTTERDAM, 10 FEBR. Een varken met varkenspest krijgt koorts, wordt sloom en eet niet meer. Op dat moment kunnen nog allerlei virussen aan het werk zijn, maar als het dier oogontsteking krijgt met afscheiding, er slijm of etter uit zijn neus komt en er paarsachtige verkleuringen van de huid, vooral bij neus, oren en tussen de benen optreden, dan is de diagnose vrijwel zeker varkenspest. Zwangere dieren krijgen spontane abortussen of misvormde biggen.

Hoogleraar virologie bij de faculteit der Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht dr.M.C. Horzinek: “Soms hebben de dieren diarree, soms braken ze, soms zijn er krampaanvallen, of raken de achterpoten verlamd. Als de slachters niet ingrijpen sterft het dier binnen tien tot twintig dagen. Meestal niet door het virus zelf, maar doordat het virus in de lymfeklieren gaat groeien en daarmee de weerstand van het dier verlamd. Een bacteriële infectie veroorzaakt meestal de dood. Bijna alle zieke dieren sterven aan het virus.”

Tegen varkenspest bestaat een oud vaccin. Toch worden varkens binnen de EU niet gevaccineerd. Dit is het gevolg van het non-vaccinatiebeleid van de Europese Unie. Volgens een woordvoerder van het ministerie van Landbouw is ervoor gekozen om de varkensstapel vrij van het varkenspestvirus en van het mond- en klauwzeervirus te houden vanwege handelsbelangen. Een met het bestaande vaccin gevaccineerd dier is niet ziek, maar kan wel drager van het virus zijn. Een gevaccineerd dier heeft bovendien zijn hele leven lang antilichamen tegen het virus in zijn bloed, waardoor met een eenvoudige test op antilichamen niet meer is na te gaan of het dier een natuurlijke besmetting heeft doorgemaakt. Bij vaccinatie is daardoor ook niet meer te controleren of de vrachtwagens vol varkens die dagelijks over de Europese wegen toeren niet gevuld zijn met besmette dieren.

Het virus wordt binnen de varkensfokkerij en -mesterij vooral overgedragen van varken op varken. Dieren die in hun incubatietijd van een paar dagen tot een week zitten en nog ziek zijn, scheiden het virus toch al uit in al hun excrementen. Bij binnenkomst in een onbesmet dier nestelt het virus zich eerst in de keelamandelen. Nadat het in de bloedbaan is gekomen nestelt het zich ook in de lymfeklieren en schakelt het afweersysteem uit. Als dan ook nog zenuwbanen worden aangetast krijgt het dier de krampen of verlammingsverschijnselen die soms optreden. Mest, speeksel en vochtdruppeltjes die bij hoesten in het rond vliegen zorgen binnen de stal snel voor verdere besmetting.

Handelaren, veeartsen en castrateurs (mensen die mannelijke dieren van hun teelballen ontdoen) veroorzaken ook besmettingen, doordat ze stal in stal uit lopen, de dieren betasten en verwonden.

Horzinek: “Een belangrijke besmettingsbron was swill, tot varkensvoer verwerkt keukenafval. In Nederland is het gebruik van swill verboden. In Duitsland niet. Maar er staan daar wel strenge straffen op het voeren van onvoldoende verhit keukenafval aan varkens. Ik was onlangs getuige-deskundige in een zaak in Westfalen, waar een boer 300.000 mark boete kreeg, omdat hij zijn varkens onverhit afval had gevoerd, waar varkenspest uit voortgekomen was. Dit kon in dat geval bewezen worden.”

“Verder is mechanische besmetting goed mogelijk. Mest in de groeven van rubber laarzen en in banden van landbouwmachines; resten in veetransportwagens zijn plaatsen waar het virus lang kan overleven. Het verbod om met tractoren en wagens van de varkensbedrijven in carnavalsoptochten te rijden is dan ook alleszins te rechtvaardigen.” Ook knaagdieren en vogels die in en rond de fokbedrijven en mesterijen voedsel zoeken kunnen het virus bij zich dragen. In de stal kan de varkensluis het virus van dier naar dier overbrengen. “Maar het virus groeit niet in die dieren. Er zijn geen andere gastheren dan het zwijn.” aldus Horzinek. Het virus overleeft overigens lang buiten het levende varken. Horzinek: “In mest zal het nog wel meevallen, want daarin groeien snel bacteriën die eiwitsplitsende enzymen uitscheiden, waar virussen vervolgens door worden aangetast. Maar uit gerookte ham die een jaar lang gekoeld werd bewaard is virus geïsoleerd dat nog infecties kon veroorzaken.” Bij varkens wel te verstaan. Mensen hebben niets te vrezen van het varkenspestvirus.

De Europese afspraken voor de beheersing van varkenspest schrijven voor dat in een straal van drie tot tien kilometer rond een besmet bedrijf een beschermingsgebied moet worden ingesteld. Binnen het gebied mogen geen dieren worden getransporteerd. “Nee,” zegt de woordvoerder van Landbouw, “het is niet verplicht om de dieren op alle bedrijven binnen dat gebied te ruimen. Dat is een Nederlandse beslissing, uit voorzorg genomen.” Dertig dagen nadat de pest is verdwenen mag er volgens de Europese afspraken geen dier in en uit het beschermingsgebied.

Veeartsen van het Instituut voor Dierhouderij en Diergezondheid (ID-DLO) in Lelystad speuren inmiddels de bedrijven binnen het afgesloten bedrijf af. Ze temperaturen de varkens. Zieke dieren worden 'overgenomen', in de woorden van dr.C. Terpstra van het instituut, gedood en bemonsterd. In Lelystad kwamen ook het afgelopen weekend weer bakken vol monsters van verdachte dieren uit het beschermingsgebied voor onderzoek aan. Ondertussen worden ook de contacten met de besmette bedrijven onderzocht. Veewagens die varkens naar of van de bedrijven hebben vervoerd, personen die in de stallen zijn geweest, daarvan wordt nagegaan op welke bedrijven die wagens of personen vervolgens zijn geweest.

Varkenspest is voor het eerst in 1836 rond Ohio als ziekte gedocumenteerd. Aanvankelijk was de varkenspest zeer virulent. Daarbij werd aanvankelijk aan een cholera-achtige bacterie gedacht. De Amerikaans naam hog cholera verwijst daar nog naar. Tegen de eeuwwisseling kwam het virus in Europa aan, of ontstond daar opnieuw. Inmiddels zijn er ook minder virulente stammen van het virus bekend die een chronische ontsteking kunnen veroorzaken.

Het pestivirus is nu ingedeeld bij de familie van de gele-koortsvirussen. Gele koorts wordt overgebracht door muskieten en veroorzaakt bij mensen koorts en geelzucht door leverontsteking. Horzinek heeft in 1967 als eerste het varkenspestvirus met de elektronenmicroscoop zichtbaar gemaakt. Daarbij bleek de verwantschap met het gele-koortsvirus. Horzinek: “Dat was opvallend want die virussen worden allemaal door insecten overgebracht, terwijl daar bij het varkenspestivirus geen sprake van is.”

Het virus heeft een bolvormige mantel van eiwitten en vetten. Daarbinnen ligt een icosaëder, een regelmatig twintigvlak en daarin zit de streng erfelijk materiaal. Een kopie van dat erfelijke materiaal bouwt het virus in in het erfelijk materiaal van zijn gastheer en daarmee begint de varkenspest.