Oeigoerse strijd in Xinjiang lijkt hopeloos

ROTTERDAM, 10 FEBR. De bloedige onlusten tussen Oeigoeren en Han-Chinezen vorige week in de multi-etnische stad Yining in Chinas noordwestelijke moslimgebied Xinjiang, zijn de eerste wereldkundig geworden uitbarsting van geweld sinds een systematische Chinese onderdrukkingscampagne tegen separatisten en moslim-activisten midden vorig jaar begon.

De nieuwe onlusten, waarbij militair geweld is gebruikt en volgens Hongkongs krant Ming Pao tien doden zijn gevallen, tonen opnieuw dat een politiek van harde en permanente repressie de enige manier voor de Chinese autoriteiten is om in dit roerigste gebied van China hun gezag te handhaven.

China kampt in dit gebied met twee permanente dreigingen. De eerste is het pan-islamisme, dat de laatste jaren sterk is toegenomen door de steeds opener grenzen en de sterk groeiende handel. Niet alleen Kashmiri's, Afghanen, Pakistani, Tadzjieken, Kazachen, Kirgiziërs en Oezbeken, maar ook Iraniërs, Turken en Saoediërs brengen op oncontroleerbare schaal hun koopwaar de grens over, samen met Korans, andere religieuze artikelen en geld om moskeeën en moslim-scholen te bouwen. De tweede dreiging, het Oeigoerse (etnisch Turkse) separatisme heeft alijd bestaan, maar heeft sinds de ontbinding van de Sovjet-Unie in 1991 een compleet nieuwe dimensie gekregen. In Centraal-Azië liggen nu vier onafhankelijke etnisch-Turkse staten (Tadzjikistan hoort bij de Iraanse cultureel-etnische sfeer) die alle min of meer modellen voor de Oeigoeren zijn om zich van China af te scheiden en een onafhankelijke republiek Oost-Turkestan of Oeigoeristan te stichten.

In april vorig jaar scoorde China een belangrijke diplomatieke coup toen de presidenten van vijf buurlanden in Centraal-Azië, China, Rusland, Kazachstan, Kirgizië en Tadzjikistan in Shanghai een verklaring inzake ontspanning aan de grenzen tekenden, waarbij China het meeste voordeel had. Alle landen verplichtten zich om geen separatistische organisaties op hun grondgebied toe te staan en beloofden geen etnische en religieuze tegenstellingen tegen elkaar aan te scherpen.

China lanceerde gelijktijdig een niets ontziende campagne tegen separatisten en moslim-activisten, die tevens samenviel met de campagne om hard toe te slaan tegen gewone misdaad. Duizenden arrestaties werden verricht, waarbij het onderscheid tussen moordenaar, struikrover, politieke separatist en religieuze activist vaak geheel verdoezeld werd. De lokale media in Xinjiang spraken gedurende de zomermaanden dag in dag uit over explosies, moordaanslagen en andere terroristische activiteiten. De propaganda-machine gebruikte haat-jargon dat sinds de Culturele Revolutie niet meer gehoord was, zoals: “Wij moeten de massa's volledig mobiliseren zodat de vijand verdronken wordt in een uitgestrekte oceaan en een klein aantal van nationale splijtisten en ernstige misdadigers door het volk als ratten door de straten gejaagd worden”.

Er werd een aanslag op de hoofd-imam van Kashgar, de op een na grootste stad van Xinjiang, gepleegd. De imam, Aronghanaji, die werd beschuldigd van collaboratie met de Chinezen, overleefde de aanslag. Aanslagen op andere imams slaagden echter. Een Oeigoerse organisatie in ballingschap in Kazachstan onder leiding van de bejaarde Yusupbek Mukhlissi liet weten dat zijn mensen 20 Chinese grenswachten hadden gedood en van april tot augustus 50 bomaanslagen hadden gepleegd.

De situatie is het ernstigst in de zuidelijke steden Kashgar en Hotan, grotendeels middeleeuwse moslim-bolwerken waar een kleine Chinese minderheid van enkele procenten alleen overdag durft te komen. In de hoofdstad Urumqi vormen de Han-Chinezen 85 procent van de bevolking en is hun gezag onaantastbaar. In Yining, de derde stad, vormen de Oeigoeren nog een kleine meerderheid van 52 procent, 32 procent Han-Chinezen, 10 procent Hui's (Chinees sprekende moslims) vier procent Kazachen en kleine groepen Mongolen en anderen.

Het feit dat de Oeigoeren het wagen om in een noordelijke grote stad met zon grote Chinese minderheid voor onafhankelijkheid te agiteren, is een nieuwe escalatie in hun strijd die vooralsnog hopeloos lijkt. De Chinezen hebben immers de macht en de wil om met elke nationalistische en religieuze uitdaging af te rekenen.