Minimumloon of minimuminkomen?

De recente discussie over het wel of niet verlagen c.q. afschaffen van het minimumloon wordt gevoerd door twee partijen die dezelfde doelstellingen hebben, maar verdeeld worden door het instrument dat ze gebruiken om die doelstellingen te verwezenlijken; namelijk het instrument van het minimumloon.

Zowel de voorstanders van het verlagen van het minimumloon (VVD, CDA en D66) als diegenen die daar meer huiverig voor zijn (PvdA) willen zowel de arbeidsparticipatie in de 'goedkopere banen' bevorderen als het sociale bestaansminimum voor werknemers beschermen.

Het minimumloon is ooit ontstaan ter bescherming van de werknemer. Door het hanteren van een minimumloon werd voorkomen dat een werknemer tegen een onacceptabel laag loon werk moest aanvaarden waardoor hij bijvoorbeeld niet meer in zijn bestaansminimum kon voorzien. Centraal in deze redenering is dat inkomen verkregen uit arbeid de primaire vorm van levensonderhoud is. Dit is ook de achtergrond van het verzet van de tegenstanders van het verlagen van het minimumloon; het drukt de werknemer onder het bestaansminimum.

Deze situatie is in de moderne Nederlandse samenleving sterk veranderd. Het is algemeen geaccepteerd dat naast inkomen uit arbeid, ook andere inkomensbronnen (bijvoorbeeld uitkeringen van rijkswege) kunnen dienen in het voorzien van levensonderhoud. Zelfs de VVD, bij monde van haar Tweede Kamer-fractievoorzitter, acht het voorzien van inkomen door twee 'broodheren' (arbeid plus uitkering) een acceptabel verschijnsel. Vanuit dit oogpunt is het minimumloon als instrument ter bescherming van een bestaansminimum achterhaald. Het heeft zelfs een asociale werking omdat het goedkope arbeid kunstmatig duur houdt, waardoor goedkope banen eenvoudigweg niet ontstaan potentiële werknemers werkloos blijven.

In dit opzicht is het veel verstandiger het instrument van het minimumloon te vervangen door een instrument dat een minimuminkomen garandeert. Een minimuminkomen is een inkomen dat voor alle Nederlanders geldt en een bestaansminimum waarborgt. Een minimuminkomen kan worden opgebouwd uit zowel inkomen uit reguliere arbeid als inkomen via een uitkering. Men kan dan bijvoorbeeld denken aan een basisuitkering, waarbij het inkomen dat uit arbeid wordt verdiend voor een gedeelte (zeg 70 procent) wordt gebruikt om de uitkering 'af te lossen' en het resterende gedeelte (in dit voorbeeld 30 procent), met inachtneming van de normale fiscale regelingen, vrijelijk gebruikt kan worden als inkomen.

In dit model zullen dus alle werknemers met een inkomen waarvan het aflossingsgedeelte hoger is dan de basisuitkering, geen uitkering ontvangen en volledig gebruik maken van hun inkomen uit reguliere arbeid om in hun bestaan te voorzien. De hoogte van het inkomen uit arbeid wordt bepaald door vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Er is dus geen sprake van een minimumloon, waardoor goedkope arbeid kan ontstaan. Daarnaast wordt het individu financieel 'geprikkeld' om arbeid te accepteren, terwijl het bestaansminimum wordt gewaarborgd.

Dat door een dergelijke aanpak goedkope arbeid kan ontstaan wordt overigens bewezen in onze eigen Nederlandse economie. In Nederland hebben studenten steeds ruimere mogelijkheden om naast hun basisbeurs inkomen te vergaren via arbeid. Dit in tegenstelling tot de situatie in 1986, toen het nieuwe stelsel van studiefinanciering werd geïntroduceerd. In 1986 was de basisbeurs van een zeer acceptabel niveau, maar was 'bijverdienen' bijzonder onaantrekkelijk, omdat vrijwel alles moest worden terugbetaald. Het gevolg was dat heel weinig studenten naast hun studie werkten. In de evolutie van de studiefinanciering is onder andere het niveau van de basisbeurs sterk verlaagd, terwijl de mogelijkheden voor 'bijverdienen' werden verruimd. Op dit moment vervullen dan ook veel studenten werk in wat je de 'goedkope banen' zou kunnen noemen, banen als koerier, chauffeur of servicebanen in het veel genoemde hamburgerrestaurant. Goedkope banen waar niets mis mee is, terwijl de student niet wordt aangetast in zijn bestaansminimum.

Het waarborgen van een bestaansminimum en het creëren van goedkope banen kunnen prima hand-in-hand gaan. Politici moeten dan wel beseffen dat het minimumloon een achterhaald instrument is en dat door het combineren van loon uit arbeid en uitkering een minimuminkomen kan worden gegarandeerd waardoor die 'hamburger-jobs' ontstaan zonder dat de Nederlandse economie verwordt tot een 'hamburger-economie'.