De rij-instructeur heeft examenvrees

Examenvrees in de rijschoolbranche. De periodieke bijscholing is een nieuw onderdeel van de Wet rijonderricht motorrijtuigen (WRM) 1993. Vanaf mei dit jaar vinden de eerste examens plaats. Wie zakt, is zijn bevoegdheid kwijt.

“Weet je wat de ellende is: die boom gaat niet aan de kant. (...) Dêt was dus de stoeprand (...) Blijven remmen - anders moet ik het doen. (...) Een snoepje? Voorgesabbeld of gewoon? (...) En wat doen we hier wat we thuis niet doen? Juist, knippertje.”

“Ik ben prettig gestoord”, had E. van Drie van te voren gewaarschuwd. Maar toch sluiten keer op keer wildvreemden zich vrijwillig met hem op in een stalen kist nog kleiner dan een lift. Hij is rij-instructeur. Maar blijkbaar doet hij wat verkeerd. Want met het oog op de verkeersveiligheid moet hij zich opeens elke vijf jaar opnieuw verplicht bijscholen. Als hij zakt voor de bijbehorende toets, moet hij zijn bevoegdheid om les te geven zonder pardon inleveren.

“Logisch toch”, zegt Van Drie (36) van de gelijknamige rijschool uit Zeist. “Wat heeft het anders voor zin?” Maar zijn applaus voor de nieuwe wettelijke regeling stuit op onwil onder collega's. Of je het nu vraagt aan Sabrina, de Turkse rijschool Mustafa of de rijschool voor vrouwen - bij het horen van het woord 'applicatietoets' trappen ze allemaal hard op de rem. Bijscholen, dat is tot daar aan toe. Maar zo'n zware sanctie, dat is te gek voor woorden. Moet een huisarts soms steeds opnieuw examen doen en loopt hij dan de kans zijn broodwinning te verliezen? Of een bakker? Een journalist? Nou dan. Een koude sanering van de rijschoolwereld, dat is het.

Al jaren worden rijschoolhouders geconfronteerd met tal van wettelijke regelingen met de bedoeling de 'wildgroei' aan rijscholen te stoppen. Lange tijd had de rijschoolwereld veel weg van een kruiwagen vol kikkers. Scholen kwamen en gingen. Iedereen die maar wilde kon er een beginnen. Een instructeursbewijs en een inschrijving bij de Kamer van Koophandel waren voldoende. Een dubbele bediening in de eigen auto bouwen, een L op het dak en klaar was Kees.

Het deed het imago van de rijschoolhouder geen goed. In het jaarverslag over 1995 maakt het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) melding van een “verontruste” toename van “onoirbare praktijken”. Rijscholen die kandidaten lesgeld vooruit lieten betalen om daarna met de noorderzon te vertrekken; rijscholen die fraudeerden en rijscholen die met gestolen auto's werkten of met instructeurs zonder opleiding. “Het beeld van de branche dreigde ondoorzichtig te worden”, zo stond het in het jaarverslag. Reden voor het CBR om een grootscheepse 'herregistratie' uit te voeren. Alle rijscholen ontvingen een formulier waarin werd gevraagd naar een inschrijvingsbewijs bij de Kamer van Koophandel, naar de instructeursbewijzen en de kentekens van de lesauto's. Vijftien procent van alle rijscholen in Nederland bleek niet bonafide. Van de ongeveer zesduizend rijscholen bleven er na de herregistratie ongeveer vijfduizend over. Bovendien was het aantal nieuwe aanmeldingen afgenomen. Dat had alles te maken met de eis die sinds 1995 aan de vooropleiding van de rij-instructeur werd gesteld: voortaan moest at hij minimaal zijn Mavo-diploma hebben. Het aantal kandidaten daalde in een jaar tijd naar de helft; van ongeveer van negenhonderd naar vierhonderdvijftig.

De angst voor 'een nieuwe slachting' zit er bij de meesten goed in. Het begon allemaal met een bericht op de voorpagina van De Telegraaf. 'Rij-instructeurs falen op examen' kopte het ochtendblad een paar maanden geleden. En: 'Bijscholing mogelijk nekslag rijscholen'. Een honderdtal instructeurs zou een proefexamen voor de applicatietoets heben afgelegd en daarbij zou geen van de kandidaten voldoende hebben gescoord. De rij-instructeurs waren in één klap wakker geschud. Alleen - het lag allemaal iets anders. Het genoemde 'proefexamen' had niets, maar dan ook helemaal niets van doen met de applicatietoets. Het genoemde 'proefexamen' was in werkelijkheid het eerste examen voor het bromfietscertificaat, dat rij-instructeurs sinds juni vorig jaar verplicht zijn te halen. Op de vraagstelling van dat examen was bovendien ook veel aan te merken. Neem bijvoorbeeld vraag 7: 'Alles wat wenselijk wordt geacht bij de opleiding met betrekking tot de kennis, houding, vaardigheden en inzicht van de leerlingen, noemen we: A) een leergang, B) een leerdoel, C) een leerplan of D) een lesplan.' De schrik is de instructeurs hoe dan ook in de benen geschoten. Want als dit de vragen voor het bromfietsexamen zijn, hoe zullen die van de applicatietoets er dan wel niet uitzien?

Inderhaast is de Stichting Belangen Rij-instructeur (SBR) opgericht. Zo'n vierhonderd rijscholen hebben zich inmiddels aangesloten. Samen met branchevereniging ABAN en de Turkse Rij-instructeursvereniging (TRV) bundelen ze hun woede. “Er staan honderden banen op het spel”, meent J. van der Heijden van de SBR. Want, zegt hij, denk maar niet dat een baas het ooit nog in zijn hoofd haalt om een instructeur een vast contract aan te bieden. “Als een instructeur na vijf jaar zakt heb je niets meer aan hem.” Bovendien, zegt hij, welke bank is onder die omstandigheden nog bereid een financiering te verlenen aan een startende rijschoolhouder. De Turkse branchevereniging maakt zich met name zorgen over de schriftelijke vorm waarin het examen wordt afgenomen. “Het uitsluiten van de mogelijkheid om het examen mondeling af te leggen, zal ertoe leiden dat veel allochtone rijopleiders gaan afvallen”, zegt hun woordvoerder in het vakblad Reflector. “Taalvaardigheid is nu eenmaal niet hun sterkste punt.”

Inmiddels zijn de eerste Kamervragen gesteld. 'Bestaat de mogelijkheid dat rij-instructeurs ten gevolge van de sanctie (...) hun baan verliezen', zo wil Stellingwerf van de RPF onder meer weten van de minister van Verkeer en Waterstaat. En vandaag ontvangt minister Jorritsma een brief van de advocaat van de SBR. Met daarin het dringende verzoek de sanctie uit de wet te halen. Zo niet, dan zal een kort geding volgen.

Allemaal verspilde moeite, menen ze bij de Bovag, een andere vakorganisatie in de rijschoolwereld die ongeveer 1.100 rijscholen vertegenwoordigt. “Alsof wij dat niet allemaal al hebben geprobeerd”, zegt H. van Gelderen van de afdeling verkeersopleidingen. Ook de Bovag is niet blij met de sanctie, maar wat moet moet. Inmiddels heeft de Bovag met succes een beroep gedaan op het Europees Sociaal Fonds voor een subsidie voor de rijschoolhouders. Elf mijoen gulden in totaal. Dat is volgens Van Gelderen voldoende om iedereen een derde van de kosten terug te betalen. Verder is de Bovag nauw betrokken bij de ontwikkeling van het lespakket en de exameneisen.

Meer kunnen we nu niet doen, zegt Van Gelderen. Bovendien dient de applicatietoets volgens de BOVAG een hoger doel: de professionalisering van de branche. 'Logisch' had Van Drie de sanctie genoemd. De instructeur uit Zeist doet er alles aan om zich te distantiëren van de “rotzooi”. Daarom ook stelt de Bovag hoge eisen aan haar leden. Zo moeten ze bijvoorbeeld voldoen aan het gemiddelde slagingspercentage. Dat verschilt overigens per regio; in de Randstad ligt dat op ongeveer 35 procent, terwijl in bijvoorbeeld Kampen ongeveer de helft van alle leerlingen de eerste keer slaagt. Verder is er bij de Bovag geen plaats voor de huisschilder en de militair die overdag hun beroep uitoefenen en in de avonduren de L op hun dak zetten. Deze parttimers zijn de luizen in de pels, meent de Bovag. Ze zijn te kleinschalig om professioneel bezig te kunnen zijn. Bovendien hoeven ze geen pensioen op te bouwen en kunnen daardoor ver onder de prijs gaan zitten. Uiteindelijk zal er volgens Van Gelderen ruimte zijn voor zo'n 2.500 rijscholen. “Dan praten we over professionele rijscholen.”

“Ik hoop dat we er een woordenboek bij krijgen”, zegt E. Valkenburg van de gelijknamige rijschool uit Nieuwegein. Het is pauze in het opleidingsinstituut voor rij-instructeurs VBR in Soest. In de kantine beklagen de rij-instructeurs zich over de lesstof. “Want hoe heette dat ene ook alweer?”, vraagt Valkenburg aan zijn collega's. “Dat cogni..., cogni....” “Cognitieve doelstellingen”, vult M. van der Voorn uit Utrecht aan. “O, ja”, zegt Valkenburg. “Dat dus.”

Valkenburg heeft dubbele pech. Voor instructeurs die op 1 januari 1995 de vijftig hebben bereikt geldt een uitzondering. Zij zijn weliswaar verplicht zich bij te scholen, maar zonder dat dat consequenties heeft voor hun bevoegdheid. Helaas voor Valkenburg werd hij pas in april 1995 vijftig jaar. Maar hem hoeven ze toch niks meer te leren, meent hij. “Ik ga m'n drieëndertigste jaar in. Dan ga ik toch zeker niet opeens anders lesgeven.”

De lesstof mist elke link met de praktijk, menen de instructeurs in de kantine. Thuis heeft Van der Voorn de 'handelingsanaylse' van het straatje-keren bijvoorbeeld nog eens goed bestudeerd. “Maar als je het doet zoals zij dat willen, dan ben je een een hele les bezig.” De klanten zien hem aankomen. “Die willen zo snel mogelijk hun rijbewijs halen. Dan kun je toch niet een volle les gaan straatje-keren.” Alles bij elkaar kost de bijscholingscursus hem zeker zo'n twaalf- tot vijftienduizend gulden, zegt hij. Want met de tweeduizend gulden cursusgeld houdt het volgens hem niet op. Door het studeren staat de wagen stil en dat kost geld. Van der Voorn rekent voor: “Elke werkdag studeer ik twee uur. Daardoor loop ik dus honderd gulden exclusief btw mis aan lesgeld. En dat twintig weken lang. Reken maar uit.” Maar Van der Voorn wil geen enkel risico nemen. Daarom buigt hij zich nu avond na avond over de cursusmap.

Het valt allemaal wel mee, meent de eigenaar van het opleidingsinstituut S. Jongepier. De instructeurs zijn een beetje geschrokken van wat “moeilijke woorden”, maar in feite gaat het om niets anders dan “het ophalen van kennis”. Voor Jongepier is de verplichte bijscholing overigens “een aardige bijkomstigheid”. Vroeger liet slechts tien procent van de rij-instructeurs zich vrijwillig bijscholen. Nu zijn de leslokalen van zijn instituut vrijwel iedere dag gevuld.

Wat ze daar leren? “Kijk”, zegt Jongepier, “hoe een koppeling bediend moet worden, dat weet iedereen, maar hoe draag je dat aan de leerling over? En hoe ga je om met leerlingen met faalangst? Of met brutale leerlingen? Vroeger was het 'ja meneer, nee meneer'. Maar nu halen ze hun neus op als je vertelt dat ze te dicht langs een fietser reden. 'Hoezo?', zeggen ze dan. 'Hij leeft toch nog...'.”

Ook zijn sinds 1991 nieuwe verkeersregels ingegaan en dat is nog steeds wennen. Voor die tijd, vertelt Jongepier, was het bijvoorbeeld verboden om op een kruising in te halen. “Klaar, lekker makkelijk. Nu mag het altijd als er maar geen gevaar of hinder ontstaat. Dus zal een instructeur de ene keer zeggen: 'kom, niet zo voorzichtig, ga er eens voorbij'. Bij de volgende kruising geeft de leerling dan lekker gas. Maar daar staat dan wel een ligusterheg van tweeënhalve meter die het uitzicht beperkt. Wat krijg je dan? Een ingreep waardoor je zowat tegen de voorruit zit.” Jongepier wil maar zeggen: met alleen verkeersregels redt een rij-instructeur het niet meer. Vandaar dat de applicatietoets zo op didactische vaardigheden hamert. En ja, dat er een aantal zullen sneuvelen, dat hou je toch, zegt hij. “Geloof me. Soms moet ik zeggen: Jongens, er staan ook letters aan de binnenkant van een boek.”