Belangeloos omdat het voor kinderen is

Literatuur zonder Leeftijd. Schrijversnummer. 10de Jaargang nr. 40. Uitgegeven door Stichting ter Bevordering van de Studie van de Kinder- en Jeugdliteratuur Amsterdam. Prijs ƒ 22,50

Paul Biegel geeft een diner. Uitgenodigd zijn allerlei mensen met wie hij, als jeugdboekenschrijver, veel te maken heeft: mijnheer Schoolboekenuitgever, mevrouw Kindermusical, mevrouw Bloemlezingensamenstelster etc. Hij heet iedereen hartelijk welkom, hij is vereerd dat men er is, hij deelt dolgraag van zijn inkomen en daar is de schaal met de hors d'oeuvre.

“Wat zegt u? Ligt er niks op? Ziet u dan niet die heerlijke reclame! Op die schaal ligt toch de verkoopwaarde die uitging van de overname in uw tijdschrift (..) van dat ene hoofdstuk uit mijn boek? Proeft u toch eens hoe heerlijk die waarde smaakt! Ik heb er erg mijn best op gedaan.”

Het ene lucht-gerecht na het andere volgt. Allemaal koekjes van eigen deeg voor degenen die voor het werk van de schrijver niets betalen en hem wijs proberen te maken dat hij toch erg veel rijker wordt van hun activiteiten. Zo proeven zij eens hoe lekker dat is, 'een hap Belangeloos Omdat Het Voor Kinderen Is'.

Het is een grappige en juiste column die Biegel gratis schreef voor Literatuur zonder leeftijd, een tijdschrift uitgegeven door de Stichting ter Bevordering van de Studie van de Kinder- en Jeugdliteratuur. Ook dat tijdschrift heeft geen geld en moet de maaltijd altijd doen met 'Belangeloos Omdat Het Voor Kinderen Is'.

Het lijkt alsof je dat een beetje proeft. Tegen iemand die gratis schrijft kan men nu eenmaal niet zo streng zijn en als zo iemand dan ook nog bereid is allerlei vragen te beantwoorden over het hoe, waarom en waartoe van schrijven, dan mag een redactie zeker niet mopperen. Misschien een criticus ook niet. Toch ga ik dat wel doen, want er zit niets ander op dan een tijdschrift als dit, over welks bestaan men zich niet genoeg kan verheugen, serieus te nemen. Zoveel structurele aandacht is er niet voor kinder- en jeugdliteratuur. En wie Literatuur zonder leeftijd met enige verwachting gaat lezen, slaat het vaak, en ook deze keer weer, teleurgesteld dicht.

Natuurlijk staat er ook altijd wel een goed stuk in. Van een goede schrijver. Als men Joke van Leeuwen vraagt hoe het met schrijven allemaal zo gekomen is bij haar, dan maakt zij daar een stuk van waarin zij haar oog voor detail toont en haar talent voor vrolijke zinnen. Dan laat ze zíen dat ze een echte schrijver is. Maar anderen schrijven op, of antwoorden in interviews, dat zij verbazend vroeg al erg veel fantasie hadden en altijd al graag lazen en ook schreven en ook heel graag verhaaltjes verzonnen. Dat is vast waar, maar interessant is het helemaal niet. Misschien ligt dat nog het meest aan de redactie die blijkens haar vragen álles wel wil weten: “Onder welke omstandigheden (in de kroeg, in de eenzaamheid van, onder het genot van drank, tabak) lukt schrijven het best of het slechtst? En hoe doet u het (met de pen, het potlood, de laptop of de computer)?”

Dit nummer laat weer eens zien hoe moeilijk het is om net zo over jeugdliteratuur te schrijven als over literatuur, zonder verdedigend of gefrustreerd te zijn en zonder steeds te praten over 'wat kinderen vinden'. Het is in dat opzicht altijd een verademing om iemand als Imme Dros te lezen - zij gaat uit van leeslust en literaire behoefte, en ze vindt het kinderboek “het mooiste dat er is, want het overbrugt generaties.” Zo ook Peter van Gestel die gewoon als schrijver praat en die het schrijven voor kinderen als een interessante beperking opvat: “Hoe meer beperkingen, hoe liever het me eigenlijk is, want dan moet je je daarin in passen.”

Toch is het gesprek waarin Dros en Van Gestel deze dingen zeggen niet erg gelukt. Het wordt met te veel mensen tegelijk gevoerd (vier schrijvers, de andere twee zijn Carry Slee en Trude de Jong) en dat is een erg moeilijke opgave, die die dan ook mislukt: onderwerpen worden niet afgemaakt of uitgediept, allerlei dingen die van geen enkel belang zijn, worden toch opgeschreven, de een komt veel meer uit de verf dan de ander, enzovoort.

In verschillende stukken - schrijfster Claire Hülsenbeck is er een frappant voorbeeld van - doen schrijvers net alsof de lezers hun hele oeuvre uit het hoofd kennen. Zo schrijft Hülsenbeck onbekommerd over haar hoofdpersoon Florian “ik begreep dat dit kind een kans zou hebben als ze Kasper en zijn vrienden ontmoette.” Zelfs voor wie het boek in kwestie gelezen heeft is zoiets niet erg verhelderend.

Redactie van Literatuur zonder leeftijd! Wees streng, ook al heeft u geen geld! Maak het tot een echte eer om in uw blad te mogen schrijven! Hopelijk wordt het dan een onverdeeld genoegen om het te lezen.