Amsterdams landleven

Het continue zachte geronk van de uitvalswegen doet niets af aan de landelijke eenzaamheid die in de winterse tuinen van Amsterdam-Zuid heerst. Net als op het land bestaat het enige vertier er uit rondvliegende of rondscharrelende vogels; de mens laat zich horen noch zien. Sinds de herfst hebben we een 'spreeuwenboom', een gigantische esdoorn waarin tegen schemertijd zwermen zich verzamelen om voor het slapen gaan hun laatste nieuwtjes uit te wisselen.

Bij heldere hemel komt hun doen en laten goed uit. Op sommige plaatsen hangen de trossen roerloos, op andere wil de rust maar niet komen en blijft het een individueel heen en weer gefladder. Opeens vliegen ze met zijn alle tegelijk op, cirkelen in wijde bogen om hun dormitorium om even later weer neer te strijken. Opnieuw begint het zoeken naar de juiste opstelling. Bij lage temperaturen verkiezen ze als nachtverblijf een dik in de naalden zittende reusachtige spar enkele meters verderop. 's Ochtends, nog voordat het licht is, trilt de lucht alweer van hun gekrakeel. Dan, van de ene seconde op de andere, alsof er sprake is van een aftikkende dirigent, valt een diepe stilte. Enkele ogenblikken later vliegen ze groepsgewijs naar alle windrichtingen, zware arbeid in het drukke stadsgewoel tegemoet. Het kleine groepje dat achterblijft ergert en verheugt me tegelijkertijd. Behalve parmantig en geestige imitatoren zijn spreeuwen ook hondsbrutaal. Ze verdringen merel en mus van de voederplek, maar erger is dat door hun luidruchtig rondhangen kool- en pimpelmees, roodborstje, winterkoninkje, heggemus en sinds enige tijd een goudhaantje zich niet laten zien.

Het vereist een voederstrategie om die te behouden: 's ochtends op één plek niet al te veel voedsel aanbieden. Wanneer het de spreeuw duidelijk is geworden dat er meer niet te halen valt zal hij elders op zoek gaan. Tussen de middag voor de schuchtere en zeldzamere soorten strooien onder en ín de struiken. Het goudhaantje en roodborstje weten in de taxus elke havermoutvlok op te sporen. Door het serreraam volg ik tevreden hun snelle beweginkjes. Ook de twee jonge katten van de buren zijn gefascineerd. De gluiperds, dood en verderf zaaien ze om zich heen, niettegenstaande de hun aangebonden bel. Alleen een troep spreeuwen heeft het vermogen ze op afstand te houden, maar die heb ik nu juist om de tuin weten te leiden. Met welk kwaad moet ik nu het kwaad bestrijden? Het geeft me veel kopzorgen om de natuurlijke diversiteit en landelijke illusie te behouden.