Alfred Brendel: studie aan tafel en piano

De pianist Alfred Brendel treedt deze maand op in het Concertgebouw in Amsterdam met een programma dat gewijd is aan Schubert. Als in het Schubert-jaar 1997 één pianist is gerechtigd het late werk van Schubert te spelen, dan is het Brendel. Door zijn vurige pleidooien wordt deze muziek intussen alom bewonderd.

Alfred Brendel speelt op 23/2 in het Amsterdamse Concertgebouw Schuberts Sonate in a D537, de Sonate in Bes D960 en vier impromptu's. Cd's: The Art of Alfred Brendel: 25 cd's met muziek van Haydn, Mozart, Liszt, Beethoven, Schubert, Brahms, Schumann. (Philips 446 920-2); Beethoven-sonates op. 106 en 81a (Philips 446 093-2); Beethoven-sonates op. 10 (Philips 446 664-2); The Alfred Brendel Collection: 6 cd's met muziek van Chopin, Mozart, Liszt, Schubert, Schumann. (Vanguard Classics 08 9171 76).

Ruim driehonderd werken, variërend van Bach tot Bartók, van Schubert en Chopin tot Schönberg en Stravinsky legde hij sinds 1954 vast op geluidsdrager. Alfred Brendel, intussen 66 jaar, wil echter niet graag worden geconfronteerd met zijn verleden. “Platen zijn waardevol lesmateriaal - maar niet altijd bronnen van genoegen”, stelde hij twintig jaar geleden in zijn boek Musical Thoughts & Afterthoughts.

Publiek en critici verwachten van musici dat zij zich in de loop van hun carrière gestaag ontwikkelen, maar tegelijkertijd prikken zij hen als insekten vast aan hun oude plaatopnamen. Hierover beklaagde zich de Oostenrijkse pianist al met zoveel woorden toen hij in de jaren zestig voor de eerste keer het klavieroeuvre van Beethoven integraal had opgenomen. Hij kon toen niet bevroeden dat hij amper drie decennia later voor de derde maal Beethovens sonates zou vastleggen.

Welke les Brendel uit zijn eigen eerdere opnamen heeft getrokken, blijft intussen vaag. Zijn recentste registratie van Beethovens sonates verschilt niet schrikbarend van de vorige. Het eerste deel van zijn jongste opname van de Hammerklavier-sonate (opnieuw live opgenomen) zou men nog 'bedachtzamer' en 'rijper' kunnen noemen. Zijn spel straalt meer rust uit en hij heeft tegelijk meer respect voor de voorgeschreven rusten; het pedaal-gebruik is terughoudender.

Bij een vergelijking van de slotdelen blijkt de recente opname veel feller en strakker, 'jeugdiger' haast. Brendels techniek is imposanter nog dan vroeger, maar dit soort pianistieke details is te weinig substantieel om er een werkelijk nieuwe visie in te ontdekken. Kiezen tussen de Beethovens van Brendel is als kiezen tussen een blauwe of een groene auto.

Dat Brendel zijn licht nogmaals laat schijnen over Beethovens piano-oeuvre illustreert perfect dat hij, ondanks zijn ontzagwekkende discografie, geen musicus is van de breedte. Hij zoekt het veeleer in de diepte. Uiteindelijk geniet slechts een handjevol componisten - Brahms, Beethoven, Haydn, Liszt, Mozart, Schumann en Schubert - zijn voorkeur. En deze muziek neemt hij telkens opnieuw onder handen.

Op 23 februari speelt de meesterpianist in het Concertgebouw een programma dat geheel gewijd zal zijn aan één van deze favorieten: de tweehonderd jaar geleden geboren Franz Schubert. In de jaren tachtig legde Brendel met Dietrich Fischer-Dieskau liederen van de componist vast en ook speelde hij veel van diens kamermuziek. Maar vooral heeft Brendel een onblusbare passie voor Schuberts sonates - in het bijzonder voor de late, waarvoor hij als weinig anderen een lans brak. En dat was geen overbodige luxe. Want hoezeer deze muziek nog tot ver in onze eeuw werd onderschat blijkt uit het feit dat zelfs Rachmaninov, toch een eminent kenner van de pianoliteratuur,niet eens wist dat Schubert überhaupt sonates had gecomponeerd.

Brendel, die één van de weinige échte muziekvorsers is onder de meesterpianisten, pleitte niet alleen als uitvoerend musicus voor Schuberts muziek. De studieuze pianist deed in zijn genoemde Musical Thoughts & Afterthoughts een geslaagde poging de wijdverspreide vooroordelen tegen Schuberts pianomuziek ook in geschrifte te ontzenuwen: “Dat vier van de grootste componisten uit de negentiende eeuw (Schumann, Mendelssohn, Brahms en Liszt) tot de meest enthousiaste bewonderaars van Schubert behoren, moet al diegenen te denken geven die nog altijd menen, dat Schuberts kundigheid niet in evenwicht was met zijn talent.”

Brendels Schubert-opnamen zijn onder meer te vinden op The Art of Alfred Brendel (een bloemlezing bestaande uit 25 cd's die vorig jaar door Philips werd uitgebracht) en op de 6-cd-box The Alfred Brendel Collection (Vanguard Classics). Onder Brendels vingers klinken Schuberts late sonates desolaat en aangrijpend, verstikkend zelfs. Brendels toucher komt in de muziek van Schubert schitterend tot zijn recht, zijn portamenti zijn onovertroffen (vooral in de Sonate in A-groot, D959). Maar daar tegenover staat dat Brendels interpretaties tegelijk aanvechtbaar zijn in de soms eigengereide tempokeuze (Sonate in D-groot, D850) en het genadeloos heenwalsen over rusten.

Een aspect waarover Brendel met vriend en vijand van mening verschilt is het spelen van herhalingen die in de notentekst worden aangegeven. Brendel laat in sommige stukken stelselmatig de reprises achterwege (bijvoorbeeld de Sonate in c-klein, D958). Hij hield het dogmatisch vasthouden aan herhalingen in een interview met het Franse tijdschrift Diapason onlangs nog voor een bizarre uitvinding van musicologen, die klakkeloos worden nagekakeld door de critici.

Muziekhistorische argumenten voor het al dan niet opnieuw spelen van passages lijkt Brendel niet te hebben. Maar het argument dat in laatste instantie de doorslag geeft is natuurlijk de muzikaliteit. En als bij Brendel iets boven alle twijfel is verheven is het wel zijn fenomenale inzicht in de muziek die hij speelt. Voor de meesterpianist zelf mag het niet altijd een genoegen zijn, het kan anders of zijn opnamen - zowel oud als nieuw - zullen nog lang een groot en gretig publiek vinden.