Zwitserland begint met tegenzin aan zelfonderzoek; We hoeven ons maar een beetje te schamen

Fier blikt Rudolf von Erlach vanaf zijn bronzen ros naar de punt van zijn banier. Het standbeeld tegenover het Stadttheater in Bern herinnert aan een of andere heldendaad in 1339. Bij een van de vier bronzen beren die de hoekpunten van het beeld bewaken, staan een paar jongeren van een jaar of vijftien, zestien lusteloos bij elkaar.

Nee, ze vinden niks van het tumult dat in de internationale pers is uitgebroken over de bedenkelijke houding van Zwitserland in de Tweede Wereldoorlog. “Als ze maar van ons belastinggeld afblijven”, zegt een meisje dat Christl heet en een ringetje door haar neus heeft. De anderen zijn het met haar eens: “Wij zijn niet verantwoordelijk.” Wat de banken doen, zal ze verder een zorg zijn. Die hebben geld genoeg en kunnen dus best wat missen voor een fonds “om mensen te helpen”. “Dan zijn we tenminste van het gezeur af.” En de regering? “Ach, dat is een stel domkoppen”, zegt een van de jongens. “Ze weten niet hoe ze moeten reageren op de hetze van de joden”, voegt iemand eraan toe. Want dat de joden er achter zitten, weet hij vrijwel zeker. “Wij konden er toch niks aan doen dat de Duitsers een oorlog begonnen.” Een van de anderen kan wel enig begrip opbrengen voor de kritiek van joodse organisaties: “We hebben ze in de oorlog slecht behandeld, en nu pakken ze ons terug.”

Zwitserland, dat was het gemoedelijke paradijs van chocola en koekoeksklokken. Maar de laatste maanden rolt het land van het ene incident in het andere en vraagt zich af hoe het zover kon komen. Onbegrip voor de bijzondere positie van het neutrale land, zeggen de meesten. Een complot van joodse organisaties, zeggen sommigen. Domheid en arrogantie van regering en banken, zegt een enkeling.

De Zwitsers worden achtervolgd door hun oorlogsverleden. Brandschoon is dat verleden, dachten ze. 'Herr Gott und die Armee' hadden het land in 1939 van de ondergang gered en handhaving van een strikte neutraliteitspolitiek hield tijdens de oorlog de Duitsers buiten de deur. Dat daarbij met de nazi's werd gehandeld was heel gewoon - je bent neutraal of je bent het niet. Afwijzing van Duitsland als handelspartner zou Zwitserland hebben opgeschoven in de richting van de geallieerden en het is maar de vraag of de nazi's het land dan nog steeds met rust zouden hebben gelaten.

“Aan die mythe klampen de meeste Zwitsers zich nog altijd vast”, zegt historicus Gian Trepp in een smoezelig kantoortje, niet ver van het bankencentrum van Zürich. Trepp heeft, net als andere Zwitserse historici, reden om teleurgesteld te zijn in zijn landgenoten. Veel van de feiten die in de afgelopen maanden, vooral vanuit Amerika, als schokkende nieuwigheden werden gepubliceerd, zijn allang door hem en zijn collega's beschreven. Hun boeken staan geduldig in de schappen van boekwinkels, de Zwitsers lopen eraan voorbij. In hun ogen is Trepp een Nestbeschmutzer, iemand die zijn eigen nest bevuilt. Er is in Zwitserland geen vuile was, en bovendien hang je die niet buiten.

Een van de opzienbarendste boeken, Raubgold aus Deutschland (1985) van Werner Rings, is een gedegen studie over Zwitserland als de 'goudcarrousel' van de Duitse Reichsbank. Omdat de Reichsmark buiten Duitsland waardeloos was, was goud voor de nazi's het enige betaalmiddel. Zwitserland kocht goud van de Duitsers, die dat voor een deel hadden gestolen uit bezette landen; De Duitsers kochten voor de harde Zwitserse franken die ze er voor kregen oorlogsmaterialen in landen als Spanje, Portugal, Turkije en Roemenië, die op hun beurt verplicht waren om met dat geld in Zwitserland goud terug te kopen.

“De houding van de banken tegenover kritiek op hun handelwijze in de Tweede Wereldoorlog is altijd dezelfde gebleven”, zegt Trepp met een ironisch lachje. “De kritiek komt uit de linkse hoek, vinden de hoge heren, en daar worden banken nu eenmaal met argwaan bekeken. Die arrogantie begint ze langzamerhand op te breken.

“Na de oorlog hebben de banken de eigen geschiedenis snel en accuraat toegedekt. In het nationale archief ligt een kilometer documenten op ontginning te wachten. Allemaal over de Zwitserse positie in de oorlog, over de houding van de bankiers, de industriële samenwerking met de nazi's, de keuzes van de politici. Vijftien jaar geleden, 35 jaar na de oorlog, werd het archief geopend en niemand heeft er naar omgekeken.”

Trepp vindt dat niet alleen de houding van de bankiers in de oorlog ter discussie zou moeten staan: “De Zwitserse industrie heeft Duitsland voor ruim één miljard frank op de pof geleverd, dat is toch onvoorstelbaar. En waarom verscholen politici zich zo gemakkelijk achter de neutraliteit? De regering had best een strenge deviezencontrole kunnen invoeren, waardoor de vrije handel met de nazi's belemmerd zou worden. Ze hadden de banken kunnen dwingen terughoudend te zijn bij hun goud inkopen. Zeker in geldzaken was Duitsland volledig afhankelijk van Zwitserland. We hadden dus best onze voorwaarden kunnen stellen.” Gniffelend voegt hij eraan toe: “Wat de goudprijs betreft zal dat ook wel gebeurd zijn.”

Robert Vogler, eveneens historicus, is genuanceerder. Hij werkt als persvoorlichter bij de Schweizerische Bankgesellschaft, een van de grootste banken ter wereld, en was in de jaren tachtig archivaris van de Zwitserse Nationale Bank (SNB). Uit bezorgdheid over de onderzoeken van onafhankelijke wetenschappers gaven Voglers toenmalige bazen hem in 1984 opdracht in de archieven van de SNB de juistheid van sommige verwijten te bestuderen.

Nuchter beschrijft Vogler in zijn rapport dat Zwitserland tussen september 1939 en mei 1945 voor meer dan een miljard frank aan goud van de Duitse Reichsbank kocht. “Juridisch en volkenrechtelijk” waren die transacties legaal, schrijft Vogler. Maar in 1943 waarschuwden de geallieerden neutrale landen geen goud uit de Reichsbank te accepteren dat afkomstig was uit door de nazi's bezette landen. En omdat de goudreserve van de Reichsbank bij het begin van de oorlog klein was en sindsdien nauwelijks was geslonken, moest worden aangenomen dat het meeste goud dat ze sinds september 1939 hadden verkocht, gestolen was.

De Zwitsers losten het probleem halfslachtig op. Ze accepteerden uitsluitend goud dat het stempel van de Reichsbank droeg, al moeten ze zich hebben gerealiseerd dat het eenvoudig was om goud om te smelten en van het Reichhsbank stempel en een datum van vóór 1938 te voorzien. Banken beseften dat de geallieerden hier na de oorlog wel eens een punt van zouden kunnen maken en eisten van de nazi's bij iedere goudtransactie een verklaring die de rechtmatigheid van het goud bevestigde. Vogler noemt dat in zijn rapport in 1984 nog 'absoluut onbegrijpelijke goedgelovigheid'. Inmiddels duiken ook bewijzen op dat de bankiers van het omsmelten wisten, er mogelijk zelfs bij betrokken waren.

Vrijwel direct na de oorlog eisten de geallieerden al het Duitse roofgoud terug. De Zwitsers beseften, hoewel ze in eigen ogen niets onrechtmatigs hadden gedaan, dat ze er niet helemaal onderuit konden. De onderhandelingen verliepen moeizaam, maar met de Koude Oorlog op uitbreken hadden de geallieerden, vooral de Amerikanen, geen zin in eindeloos gesoebat. Zo kregen de keiharde Zwitserse onderhandelaars hun zin. Voor 250 miljoen frank aan goud werd in 1946 door de Zwitsers op basis van het Verdrag van Washington overhandigd aan de geallieerden. Aan hen de taak om het te verdelen onder landen, zoals Nederland en België, waar Duitsland het geroofd had.

Terwijl het grote geld in de oorlog via de banken vrijelijk over de grenzen heen en weer schoof, probeerden bedreigde particulieren, vooral joden, in Duitsland en in landen die door de nazi's waren bezet, hun bezittingen in veiligheid te brengen. Dat was niet eenvoudig. Al in 1934 voerde Duitsland de doodstraf in voor mensen die geld en waardepapieren over de grens smokkelden. Bovendien deden Zwitserse grensbewakers hun best het land potdicht te houden, bang als zij waren voor een te grote toestroom van vluchtelingen.

Met ingenieuze trucs lukte het mensen toch regelmatig geld het land binnen te krijgen. Sommigen gaven het mee aan advocaten, notarissen of zakenlieden die gemakkelijk toegang hadden tot Zwitserland. Mensen met een bedrijf maakten overfactureringen voor bevriende zakenrelaties en verzochten hun het teveel op een Zwitserse rekening te storten. Anderen wisten zelf Zwitserland te bereiken en er een bankrekening te openen; uit angst voor ontdekking deden ze dat vaak onder een schuilnaam of anoniem.

In de oorlog zijn veel van de rekeninghouders gestorven in concentratiekampen. Als zij hun familieleden - voor zover die niet ook overleden waren - niet op de hoogte hadden gebracht van het bestaan van zo'n rekening, bleef die 'nachrichtenlos' in de bank achter.

Dat het niet simpel was voor Zwitserse banken om na de oorlog een helder overzicht te verschaffen van aard en omvang van al deze rekeningen, is begrijpelijk. Ze werden daarbij gehinderd door het bankgeheim, maar misschien nog wel meer door hun eigen onwil. In 1962 werkten slechts 26 van de meer dan 500 Zwitserse banken mee aan een onderzoek naar slapende rekeningen uit de Tweede Wereldoorlog - rekeningen die vóór 1945 werden geopend en daarna ten minste tien jaar onaangeroerd bleven.

Die onwil is de banken de afgelopen maanden duur komen te staan. Hun goudeerlijke imago heeft een flinke deuk opgelopen. Alleen de oprichting van een fonds voor (nabestaanden van) Holocaust-slachtoffers heeft op het laatste moment een boycot-oproep door joodse organisaties kunnen voorkomen. Maar nog steeds wordt geëist dat al het 'slapende' geld, volgens wilde geruchten wel zeven miljard dollar, wordt opgespoord.

Bankenombudsman Hanspeter Häni probeert sinds 1995 namens de gezamenlijke banken voor particuliere erfgenamen slapende rekeningen te achterhalen - tot die tijd moesten ze bij alle vijfhonderd banken afzonderlijk aankloppen. Uit een dossier haalt Häni een kopie van een oud waardepapier - de naam van de eigenaar is keurig afgeplakt. “Dit document bewijst dat de klant onder meer voor 60.000 Reichsmark aan geld en voor 30.000 Reichsmark aan obligaties bij de firma Krupp bij een bank had ondergebracht. Maar de Reichsmark en ook die obligaties waren na 1945 niets meer waard. De verwachtingen zijn hoog opgeklopt door de spookbedragen die in de media circuleren. Als er zoveel geld ligt, dan moet er ook wel iets van mijn ouders of grootouders liggen, denken veel mensen. Zij kunnen alleen maar teleurgesteld worden.”

Bij Häni komen regelmatig aanvragen binnen in de trant van: 'mijn ouders waren heel rijk, er moet dus wel geld op een Zwitserse bank zijn ondergebracht'. Ook die vage verzoeken neemt hij serieus, maar hij vermoedt dat er niet veel meer gevonden zal worden dan de ongeveer 800 slapende rekeningen, met een waarde van rond de 40 miljoen frank, die bij een recente inventarisatie door de banken zelf zijn achterhaald. “Niet alle slapende rekeningen hebben betrekking op de oorlog”, zegt Häni. “Onlangs kwam ik een geval tegen van een rekening die meer dan vijftig jaar onaangeroerd was. Het bleek te gaan om een kinderloos echtpaar dat in 1929 bij een ongeluk om het leven kwam.”

Zwitserse banken vernietigen na tien jaar de gegevens over geldtransacties van lopende rekeningen (andere landen soms al na vijf jaar). Als in tien jaar een rekening niet is gebruikt, wordt die gearchiveerd: slechts de identiteit van de rekeninghouder, voor zover die bekend is, en de waarde van het tegoed worden vastgelegd voor het geval dat de rekeninghouder of een erfgenaam alsnog komt opdagen.

Vertelt u mij eens”, zegt Häni, die zijn verontwaardiging over alle tumult maar met moeite kan onderdrukken, “hoe spoor ik een anonieme rekening op die in 1940 werd geopend door een Roemeen, die uit angst voor ontdekking alle bewijzen heeft vernietigd en alleen het rekeningnummer heeft onthouden en die na de oorlog niet in staat was het geld in Zwitserland te komen halen? Hoe weet ik of geld dat aanvankelijk in Zwitserland werd ondergebracht niet is doorgesluisd naar Amerika of Groot-Brittannië? Zou u tijdens de oorlog uw geld niet liever op een Amerikaanse bank hebben staan, dan op een bank in een land dat door nazi's en fascisten was ingesloten?”

Häni schaamt zich er niet voor dat zijn land de oorlog heelhuids is doorgekomen. Het was een kwestie van geluk, van verzet door het leger en van de handel met de Duitsers, die - dat wil hij wel toegeven - plaatshad op een grotere schaal dan voor het overleven noodzakelijk was. “Alleen voor dat laatste moeten we ons een beetje schamen.” Maar, voegt Häni er grootmoedig aan toe, zelfs als het alleen maar geluk was, is dat reden genoeg om een fonds te stichten voor slachtoffers van de oorlog.

Dat is ook het officiële standpunt van de Zwitserse regering. Als over een maand of vier de eerste resultaten van het onafhankelijke onderzoek naar het oorlogsverleden binnen zijn, zal de regering wellicht deelnemen aan het 'humanitaire' fonds van de banken. Dat is de verwachting van Lukas Beglinger, lid van de zogeheten Task Force die in opdracht van de regering de activiteiten rond het onderzoek naar het Zwitserse oorlogsverleden coördineert. “Maar het is geen schuldbekentenis. Het is een gebaar van een land dat ongeschonden uit de oorlog is gekomen.” Beglinger spreekt in een koffiehuis in Bern in zorgvuldig geformuleerde volzinnen over de positie van zijn land. Hij heeft vertrouwen in de internationale historische commissie onder leiding van Jean-François Bergier, die het Zwitserse oorlogsverleden onderzoekt. Hij geeft toe dat de kritische zelfreflectie rijkelijk laat komt. Maar dat valt niet alleen de Zwitsers aan te rekenen. De Koude Oorlog heeft volgens hem ook andere landen ontslagen van de noodzaak om hun oorlogsverleden te verwerken.

Of het in Zwitserland dringender nodig is? Beglinger denkt van niet. Natuurlijk leest hij de ingezonden brieven in Zwitserse kranten, waarin 'provocaties van joodse organisaties' als oorzaak van groeiend antisemitisme worden aangewezen. Maar Beglinger gelooft niet dat de Zwitsers werkelijk antisemitisch zijn. Hij noemt het liever “patriottistisch”, in de oorlog was de grens niet alleen voor joden gesloten. Hij zegt er niet bij dat de Zwitserse politie Duitsland op het idee bracht om bij joden een J in hun paspoort te stempelen, zodat ze aan de grens gemakkelijker te herkennen waren.

Aan een tafeltje naast ons rekent een dame haar koffie af. Ze trekt haar mantel aan en buigt zich ineens voorover. “Er bestaan nog goede mensen in Zwitserland, zeker!”, roept ze en verdwijnt.

Even is Beglinger uit het veld geslagen, maar dan trekt hij zijn gezicht weer in de plooi. “De commissie-Bergier heeft niet het mandaat om de geschiedenis te herschrijven”, zegt hij. “Het onderzoek naar vluchtelingenpolitiek, goudhandel en slapende rekeningen plaatst gebeurtenissen ongetwijfeld in een nieuw historisch kader. Maar er zijn krachten in dit land die het perspectief op het verleden volledig willen herzien. Daar zitten politieke motieven achter.” Als bewijs noemt Beglinger het uitlekken van het geheime rapport van ambassadeur Carlo Jagmetti, die pleitte voor een pr-offensief tegen de 'vijanden' van Zwitserland. Ook het manifest van intellectuelen die protesteren tegen de in hun ogen lakse houding van de regering, laat volgens Beglinger zien hoe sommigen politieke munt uit de situatie willen slaan.

Het gaat in Zwitserland allang niet meer alleen over Goed of Fout in de oorlog. Het gaat zelfs niet meer alleen over de betrouwbaarheid van de banken. Het Zwitserse staatsbestel staat ter discussie. In 1989 kon het land nog met veel bombarie herdenken hoe het leger de Duitsers zestig jaar eerder ervan weerhield het land binnen te vallen. Bijna iedereen geloofde nog in het neutraliteitsideaal. Maar de val van de Muur en het einde van de Koude Oorlog hebben die neutraliteit volgens sommigen tot een zinledig begrip gemaakt. Zwitserland was alleen neutraal dankzij de tegengestelde polen in Europa: nazi's en geallieerden, en later Oost en West.

Daardoor veranderde ook het perspectief op de Tweede Wereldoorlog. Volgens een recente enquête door de Zwitserse radio is nog maar 20 procent van de Zwitsers ervan overtuigd dat het land werkelijk neutraal was in de oorlog, meer dan de helft vindt dat het land zich, ondanks zijn neutraliteit, heeft gecompromitteerd ten gunste van de nazi's of van de geallieerden. Een kwart vindt zelfs dat het land helemaal niet neutraal is geweest.

“Er is geen terug meer mogelijk”, zegt historicus Gian Trepp, “ook al beseft nog niet iedereen dat. Zwitserland kan proberen alles bij het oude te laten. Het handhaaft zijn zogenaamd neutrale positie, zijn bankgeheim en alles wat daarbij hoort. Dan blijft het land een vrijplaats voor dubieuze types als Marcos en Pinochet, of voor de Russische mafia. En het zal zich internationaal steeds verder isoleren.”

Als Zwitserland dat niet wil, zal het zijn wetgeving zo moeten aanpassen dat het banksysteem onaantrekkelijk wordt voor de Hitlers van de toekomst. Misschien moet het zelfs lid worden van de Europese Unie, een onderwerp dat bij een referendum in 1992 nog tot emotionele debatten en grote verdeeldheid leidde. In ieder geval zal Zwitserland eindelijk haast moeten maken met de grondwetsherziening waarover nu al een kwart eeuw, vrijwel zonder resultaat, wordt gesteggeld. Daarbij zal ongetwijfeld het oude neutraliteitsideaal nog verder worden aangetast - maar dat ideaal was eigenlijk altijd al een sprookje.