Tribune

Profbokser Orhan Delibas brak donderdag met zijn Amerikaanse manager Stan Hoffman. De Amerikaanse manier van trainen sprak de Nederlander niet aan. Is het verschil met de Nederlandse sportbeleving inderdaad zo groot?

Orhan Delibas: “De Amerikanen hebben een beeld voor zich waar jij aan moet voldoen. Zo wilde Hoffman me een andere boksstijl bijbrengen, eentje die helemaal niet bij me paste. Heel eigenwijs. Ik heb me daar dood aan geërgerd en heb daarom besloten terug naar Europa te komen. Hier heb ik meer vrijheid om met mijn eigen stijl te spelen. In Amerika hebben ze me zelfs nooit gevraagd wat ik vond van de manier waarop ik begeleid werd.”

Hans Werdekker, American football-speler bij de Amsterdam Admirals: “In de Verenigde Staten is iedereen heel persoonlijk bezig. De concurrentie is zo groot dat de coach niet voor discipline hoeft te zorgen. In Amerika zijn zo veel sporters, dat een coach voor een falende speler tien anderen achter de hand heeft. Het gaat er keihard aan toe, ook bij de Admirals. Wij kunnen per dag ontslagen worden. Dat is goed voor de prestaties, want er wordt meer van je geëist. Een voetballer die voor twee jaar getekend heeft, krijgt twee jaar zijn geld. Ook al speelt hij in het tweede elftal. Dat kan in Amerika dus niet. De trainer controleert bij ons niet of je daadwerkelijk drie keer per week krachttraining doet. Hij gaat er gewoon vanuit, want als je slecht speelt, vlieg je eruit.”

Doug Mason, Canadees en bondscoach van de Nederlandse ijshockeyploeg: “Er is geen groot verschil. In Noord-Amerika zijn meer mensen met een sportinstelling, maar in de top beleeft iedereen zijn sport hetzelfde. Iemand bereikt het hoogste omdat hij er alles voor gedaan heeft. Onder de top is de beleving anders. In Amerika word je op jonge leeftijd gedwongen om te willen winnen. Je ziet ouders hun kinderen overal naar toe sjouwen, de opvoeding is gericht op sport. In Nederland is het gezin veel belangrijker. Ouders vragen: 'Wat wil je Jantje? Wil je stoppen met sport? Heel goed.' Een verklaring voor het verschil is er niet. Het zijn heel aparte landen. Ik heb ook in Italië gewerkt en daar is alles weer anders. Wanneer je iets vraagt, is het altijd 'morgen'. Tien keer op een dag. Dat heeft met cultuur te maken.”

Mike Vreeswijk, Amerikaanse basketballer van EBBC Den Bosch: “Amerikanen bereiden zich serieuzer voor op wedstrijden. We denken na over hoe we moeten spelen, we rusten goed. De concentratie is wat beter. Veel Nederlandse spelers moeten werken en als ze dat niet hoeven, gaan ze nog wel eens de stad in. Ze hebben een andere mentaliteit. Af en toe erger ik me daar aan, maar ik realiseer me dan snel dat alles wat anders is niet per definitie fout hoeft te zijn. De Nederlandse beleving is alleen wat minder professioneel.”

Rikkert Faneyte, honkbalt al zes jaar in Amerika: “In de Verenigde Staten komt sport op de eerste plaats. In Nederland kon ik niet eens als prof bezig zijn. In Amerika kijken mensen heel anders tegen sporters aan. Ze plaatsen ze op een voetstuk. Als je echt heel goed bent, word je zelfs verafgood. Zie Michael Jordan. Hier is dat toch heel anders. Richard Krajicek wint Wimbledon, Dennis Bergkamp is een heel goede voetballer, maar het volk blijft ze toch als gewone mensen zien die toevallig iets heel goed kunnen. Wat dat betreft geef ik de voorkeur aan Nederland. In Amerika is sport echt een gekte. Mensen maken iemand nog beter dan hij is. Heel overdreven.”

Steven van Randwijck, hockeyer die in Atlanta voor de Verenigde Staten speelde: “In Nederland draait het leven om het leven, in Amerika om het hockey. Voor de Olympische Spelen in Atlanta zijn we een jaar in training geweest en al die tijd was alles op presteren gericht. Het woord 'gezellig' kennen ze niet eens. Cosy lijkt er het meest op, maar betekent toch wat anders. Amerikanen kunnen niet relativeren. Ze denken met kracht- en snelheidsontwikkeling te kunnen presteren. Nederlanders gebruiken hun hersens daarvoor. Daarom zijn sporters hier ook wat intelligenter.”