Staat moet werkloze die nuttig bezig is niet straffen

De werkloze die weigert te solliciteren, wordt gestraft. Akkoord, vindt Jan Ott, maar wie nuttig onbetaald bezig is, zou wel tijdelijk ontheffing moeten kunnen krijgen van de sollicitatieplicht. Wim van Oorschot en Joop Roebroek vinden dat gemeenten meer armslag moeten krijgen om werklozen te stimuleren tot 'sociaal burgerschap'.

Op het congres van de PvdA op 14 en 15 februari komt de nota Sociale zekerheid bij de tijd aan de orde. De nota bevat constructieve voorstellen met gedegen argumentaties. De nota kent veel waarde toe aan economische zelfstandigheid voor een ieder. Vanuit die invalshoek wordt de tegenwoordige bijstandswet kritisch bezien.

Wie met een partner in de bijstand terecht komt, raakt zijn zelfstandigheid kwijt, omdat bij de toekenning van de uitkering rekening wordt gehouden met het vermogen en inkomen van die partner. Dat heeft een negatief effect op de participatie in betaald werk, omdat betaald werk daardoor administratief lastig is en financieel vaak weinig oplevert.

Dit leidt in de nota tot het voorstel voor een 'participatiewet' als een nieuwe 'draaischijf' of 'brug' tussen uitkering en betaald werk. Binnen het regime van die wet passen activiteiten als het zoeken naar een baan, het starten van een onderneming, het volgen van een geschikte opleiding of het verrichten van gespecificeerde activiteiten in het kader van maatschappelijke dienstverlening. Mensen die aantoonbaar met dergelijke activiteiten bezig zijn, ontvangen een uitkering waarbij vermogen en inkomen van een partner buiten beschouwing blijven.

De nota geeft de PvdA een voorsprong op andere partijen in de analyse van de samenhang tussen sociale zekerheid en werkloosheid. Een kernprobleem in die samenhang wordt echter onvoldoende onderkend. Ik bedoel het probleem dat het voor goede en houdbare sociale zekerheid noodzakelijk kan zijn mensen onder druk te zetten om betaald werk te doen, of mee te werken aan nuttige scholing.

De vraag is hoe dat op een gerechtvaardigde en acceptabele manier kan gebeuren. Dat is behalve een technisch ook een moreel en politiek probleem. Wat vinden de PvdA en de andere partijen van iemand met een uitkering die, zoals Marta in Sint Michielsgestel, leuk en nuttig onbetaald werk doet en weigert ritueel te solliciteren terwille van het uitkeringsrecht?

Onlangs heeft de rechter uitgesproken dat Marta geen recht heeft op een uitkering. Die uitspraak klopt met de regels, maar zijn die regels niet achterhaald? Een lastig dilemma. Enerzijds wil niemand mensen die zelf nuttige bezigheden hebben gevonden onterecht en ongerechtvaardigd onder druk zetten. Anderzijds wil niemand dat mensen zich asociaal gaan opstellen of in een maatschappelijk isolement terechtkomen.

De PvdA-nota is vaag op dit punt. Gesteld wordt dat alle mensen die kunnen werken hun steentje moeten bijdragen. Omgekeerd is de plicht tot arbeid gekoppeld aan het recht op werk. De nota gaat niet in op het vraagstuk hoe die balans van rechten en plichten concreet moet worden geregeld en bewaakt.

Eerder in de nota wordt alleen gesteld dat we geen dwang mogen opleggen waar geen redelijke mogelijkheden bestaan. Maar wat is redelijk? Vacatures kunnen worden aangepast aan individuele capaciteiten en capaciteiten kunnen door scholing en opleiding worden vergroot. Redelijke mogelijkheden zijn er altijd, zeker op de wat langere termijn.

'Redelijke mogelijkheden' is als leidraad voor de korte termijn bovendien gevaarlijk, omdat dit leidt tot meer aandacht voor kansrijke groepen en minder aandacht voor kansarme groepen. Werkloosheid onder kansarme groepen wordt dan langduriger en hardnekkiger.

Een betere leidraad bij de beoordeling van rechten en plichten, en bij de vraag of het uitoefenen van druk terecht is, is het onderscheid tussen schadelijke en minder schadelijke werkloosheid. De schade door werkloosheid is persoonlijk of maatschappelijk. De persoonlijke schade is variabel: veel mensen lijden onder werkloosheid, voor anderen levert zij weinig problemen op.

Ook de maatschappelijke schade is variabel: bij sommige mensen is die groot, doordat ze apatisch en inactief worden of verzeild raken in drugsgebruik en in zwarte, grijze of zelfs criminele circuits. Bij andere werklozen kan de schade uitblijven of meevallen, doordat ze nuttig, onbetaald werk doen, zoals het opvoeden van kinderen, het verzorgen van ouderen of ander vrijwilligerswerk. Door dergelijke activiteiten wordt het perspectief op betaald werk ook redelijk gehandhaafd of zelfs vergroot.

Uitgangspunt bij het uitoefenen van druk zou moeten zijn dat die druk vooral wordt uitgeoefend als de schade relatief groot is. Praktisch is dat uitvoerbaar door mensen op verzoek tijdelijk vrijstelling te verlenen van de sollicitatieplicht, indien ze aantoonbaar nuttig bezig zijn, bijvoorbeeld met de genoemde activiteiten. Daar kunnen dan afspraken over worden gemaakt.

De tijdelijke ontheffing van de sollicitatieplicht zou niet moeten betekenen dat men met behoud van uitkering een passende betaalde baan mag weigeren. Dat zou tot kostbare vormen van kieskeurigheid leiden, met negatieve gevolgen voor de betaalbaarheid van uitkeringen. Dus ten koste van anderen.

De politieke partijen zouden zich sterk moeten maken voor die mogelijkheid van een sollicitatievrijstelling voor 'Marta's' die vrijwilligerswerk doen dat maatschappelijk en voor hen persoonlijk zinvol is. Een recht met behoud van uitkering passend betaald werk weigeren gaat echter te ver.

De voordelen van toepassing van dit onderscheidende principe bij de beoordeling van werkloosheid kunnen kort worden aangeduid: de logica van dit principe versterkt de effectiviteit van de arbeidsbemiddeling en de uitvoering van de sociale zekerheid; de schade door werkloosheid wordt beter bestreden, niet alleen door meer effectiviteit, maar ook doordat de schadelijkste vormen meer prioriteit krijgen; werkloosheid wordt minder stigmatiserend, omdat dit principe meer ruimte schept om zinvol bezig te zijn; de levensvatbaarheid van een participatiewet wordt vergroot.

Ten opzichte van de bijstand is een dergelijke wet sympatieker door het doorbreken van een vermogens- en middelentoets op het niveau van de huishouding. Dat betekent dat veel mensen zullen proberen de bijstand te vermijden door in die participatiewet te blijven, ook als ze daar qua motivatie en gedrag niet in thuis horen. Een selectief drukmiddel is dan nodig.

Tenslotte blijft van belang te beseffen dat ook de logica van dit principe nooit perfect zal zijn. Dat betekent dat we ook met die logica niet al te moralistisch moeten worden. Sommige utkeringsgerechtigden weigeren te solliciteren en ondernemen dan ook geen activiteiten die nuttig zijn of perspectief bieden op betaald werk. Ook tegenover die mensen is morele afkeuring discutabel, één en ander is vaak verklaarbaar vanuit hun persoonlijke achtergrond.

Als ze gebruik willen maken van de sollicitatievrijstelling, al dan niet in het kader van een participatiewet, zullen ze echter afspraken moeten maken die ze moeten nakomen. Als ze dat niet willen, moeten ze accepteren dat op hen druk wordt uitgeoefend en dat stopzetting van de uitkering daarbij aan de orde kan zijn. Moreel zijn ze misschien niet verplicht toe te geven, maar ze moeten wel inzien dat dit dan nodig en terecht is. Niet alleen voor een duurzame sociale zekerheid op een behoorlijk niveau, maar ook om onnodige schade door werkloosheid te vermijden.