Spijker in het hoofd; Alcohol geeft overmatig vochtverlies en kater

Dit weekeinde barst het Carnaval los. Dat betekent veel katers. Algehele slapte, misselijkheid, de smaak van een dode muis in de mond, zweten, trillende handen, naalden in de schedel - wie er niet aan wil moet niet te veel drinken.

SINDS DE VROEGSTE tijden zijn er aan alcohol goede eigenschappen toegedicht. In de naam whisky is daar nog iets van terug te vinden. Whisky komt van het Keltische woord 'Usquebaugh' en betekent 'levenswater'. Maar zo'n levenselixer kan de volgende dag kwade gevolgen hebben. Prof.dr.ir. G. Schaafsma van TNO Voeding te Zeist was een aantal jaren leider van het TNO-project Alcohol en gezondheid en heeft veel onderzoek gedaan naar de biomedische effecten van het (matig) gebruik van alcohol. Hij denkt dat het diuretische (vochtafdrijvende) effect van alcohol de belangrijkste oorzaak is van het katergevoel.

Schaafsma: “Alcohol blokkeert de werking van het hormoon dat de terugwinning van water door de nier stimuleert, het zogenoemde antidiuretisch hormoon (ADH). Als de werking van ADH wegvalt, leidt dat tot een overmatige productie van weinig geconcentreerde urine. Door vochtverlies droogt het lichaam dan uit en dat levert een belangrijke bijdrage aan de kater, zoals de droge mond en het slappe vermoeide gevoel. Om het risico op een kater zoveel mogelijk te verkleinen, moet men daarom tijdens het genot van een drankje ruimschoots water drinken. In veel zuidelijke landen is dat ook de gewoonte; naast de wijn staat altijd een karaf water. Het diuretische effect van alcohol verklaart ook waarom men na sterke drank de volgende dag veel eerder een katergevoel heeft dan na een vergelijkbare hoeveelheid alcohol in de vorm van bier.”

Opvallend is dat de naweeën van overmatig alcoholgebruik vooral opduiken op een moment dat de alcoholconcentratie in het bloed bijna nul is. De ernst van de kater lijkt dan in direct verband te staan met stoffen (congeneren) die vrijkomen bij de fermentatie van alcohol en die bijdragen aan smaak en kleur van de drank. Belangrijke congeneren zijn de zogenoemde foezelalcoholen: alcoholen met langere koolstofketens dan ethylalcohol, zoals n-propanol en n-butanol. Die worden trager afgebroken dan alcohol en zijn de ochtend na het overmatig drankgenot nog steeds in het bloed aanwezig. De ernst van een kater loopt gelijk op met het gehalte aan foezelalcoholen: pure alcohol geeft de minste klachten en dan volgen, in oplopende lijn, wodka, gin, jenever, witte wijn, whisky, rum en rode wijn. Aan de katertop staat pruimenbrandy. Onderaan prijkt ook bier, samen met gin en wodka, waarbij volgens kenners het volgens het 'Reinheitsgebot' gebottelde Duitse bier de minste klachten geeft.

EIKENHOUTEN VATEN

Naast foezelalcoholen kan drank nog allerlei andere congeneren bevatten, zoals de tanninen die vrijkomen uit de eikenhouten vaten waarin drank wordt opgeslagen, en polycyclische aromatische hydrocarbonen (onlangs nog in het nieuws doordat die kankerverwekkende stoffen tijdens het turfgestookte droogproces in dure malt-whisky's terechtkomen). Welke rol die honderden verschillende soorten congeneren bij het ontstaan van een kater spelen, is niet precies bekend.

Maar de kater is niet altijd langzaam. Soms komt al hoofdpijn op binnen enkele uren na het genot van enkele glazen wijn. Schaafsma heeft hier uitgebreid onderzoek naar gedaan. Bij dit proces spelen biogene aminen een rol, stoffen die vooral in wijn kunnen voorkomen. Schaafsma legt de nadruk op 'kunnen', want biogene aminen ontstaan door een onzorgvuldige bereiding van de wijn. Het zijn door bacteriën gevormde eiwit-afbraakproducten met afschuwwekkende namen als cadaverine en putrescine, stoffen die ook voorkomen in lijkengif, rottende vis en rottende darmflora. Deze afbraakproducten hebben een vaatverwijdende werking en kunnen zelfs kort na het gebruik van één glas wijn al acute hoofdpijn veroorzaken.

Nog weer een andere oorzaak van katers is aceetaldehyde, een zeer giftig tussenproduct dat ontstaat bij de afbraak van alcohol in de lever (uiteindelijk wordt aceetaldehyde omgezet in water en kooldioxide). Bij overmatig alcoholgebruik lekken kleine hoeveelheden van dit gif weg naar de bloedsomloop, waardoor celmembranen beschadigd kunnen raken. Dat kan bijdragen aan het katergevoel: de hoofdpijn en de trillende handen.

Ten slotte zitten er in de schil van druiven flavonoïden. Deze stoffen komen voornamelijk in rode wijn voor, doordat daar, anders dan bij witte wijn, ook de schil in verwerkt is. Er is wel gespeculeerd dat ook flavonoïden bijdragen aan een kater, maar daar is lang niet iedereen het over eens. Flavonoïden schijnen overigens niet alleen maar slecht te zijn; ze worden tegenwoordig aangeprezen wegens hun antioxidatief effect. Ze zouden een overmaat aan zuurstofradicalen in het lichaam wegvangen en zo veroudering en verkalking van bloedvaten tegengaan. In medisch wetenschappelijke kringen wordt in dit verband wel gesproken over de 'French paradox': de Franse bevolking rookt veel, drinkt veel, beweegt weinig en toch komen hart- en vaatziekten er minder voor dan in landen waar de bevolking een gezondere leefwijze aanhoudt. Dat de flavonoïden hier de oorzaak van zijn, is vooralsnog wetenschappelijk niet bewezen. Het kan ook heel goed liggen aan de Franse manier van leven, een ontspannen bestaan met een gezonde dosis alcohol en vetarme voeding.

In een commentaar over katers in het British Medical Journal van 4 januari wordt gewezen op een onderzoek waaruit zou blijken dat psychosociale factoren, zoals schuldgevoelens, angst, woede of depressie, de kans op een kater beter voorspellen dan de hoeveelheid genoten alcohol. Velen weten ook uit eigen ervaring dat de ernst van een kater toeneemt met de leeftijd, tijdens ziekte, bij vermoeidheid of, in het geval van vrouwen, bij ongesteldheid. Naarmate men fysiek en mentaal vitaler is kan men alcohol beter verdragen.

In het British Medical Journal wordt ook uitgebreid aandacht besteed aan de mogelijke bijdrage aan het katergevoel van kleine hoeveelheden methanol in alcoholische dranken. Die zouden, net als de foezelalcoholen, een verklaring kunnen vormen voor het feit dat een kater pas na 8 tot 10 uur opkomt. Methanol wordt door dezelfde enzymen afgebroken als alcohol, maar veel trager. Daarbij ontstaat uiteindelijk mierenzuur, een zeer giftige stof die in hoge concentraties zelfs tot blindheid kan leiden. Zulke concentraties methanol komen wel eens voor in onzorgvuldig bereide, illegaal gestookte alcohol.

ASPIRINE

De doeltreffende werking van hèt patentmiddel van de ware doorzakker - 's ochtends vroeg meteen een pilsje - zou ook op het methanol-principe berusten. Alcohol wordt veel gemakkelijker afgebroken dan methanol en verdringt daarom deze stof, zodat er minder mierenzuur tegelijk wordt gevormd. Prof. Schaafsma heeft overigens zijn twijfels of methanol in het algemeen een rol speelt bij het ontstaan van een kater. In de meeste drank zit daarvoor veel te weinig van deze stof.

De werking van een ander veel toegepast middeltje tegen een kater, een flinke dosis acetylsalicylzuur (Aspirine), opgelost in veel water, heeft te maken met de remming van het enzym cyclo-oxygenase dat verantwoordelijk is voor de vorming van prostaglandinen. Kunstmatige toediening van prostaglandinen, stoffen die zorgen voor een verhoogde doorlaatbaarheid van de bloedvaten en die de gevoeligheid voor pijn verhogen, geeft klachten die veel lijken op een kater. Mogelijk verhoogt alcohol de vorming van prostaglandinen, waardoor remmers van de prostaglandinesynthese sommige katerverschijnselen kunnen onderdrukken.

TNO Voeding doet al jaren onderzoek naar het matig gebruik van alcohol en eigenlijk ziet men daar maar één remedie: 'Nooit zoveel drinken dat je een kater krijgt'. Veel drinkers zijn echter korte-termijndenkers. Schaafsma: “Hoe meer ze drinken, des te minder maken ze zich ongerust over de gevolgen.”