Praktijkschool mag geen afvalbak worden

VOOR DE ZWAKSTE groep leerlingen,die niet in staat is een diploma te halen in het voortgezet onderwijs, moet er een praktijkschool komen die hen voorbereidt op eenvoudig werk dat past bij hun capaciteiten. De nieuwe praktijkschool moet deze kwetsbare groep jongeren daadwerkelijk helpen bij het vinden van werk en hen leren hoe zich staande te houden in een samenleving die hen niet met open armen zal ontvangen.

Het praktijkonderwijs zal daarom in de nabije toekomst één van de vier leerwegen worden die - volgens de huidige regeringsplannen - in de plaats komen van de huidige Mavo, het voorbereidend beroepsonderwijs (VBO) en het voortgezet speciaal onderwijs (VSO). De 600.000 leerlingen die deze opleidingen bevolken vormen ruim zestig procent van alle scholieren in het voortgezet onderwijs.

Met de doorstroming naar het beroepsonderwijs en de arbeidsmarkt is het voor deze groep droevig gesteld. Bijna de helft van de leerlingen in het middelbaar beroepsonderwijs (MBO) houdt het tussentijds voor gezien en voor de leerlingen die meteen de arbeidsmarkt op willen is het perspectief al evenmin erg rooskleurig. Om daar verbetering in te brengen adviseerde de commissie-Van Veen deze drie schoolsoorten samen te voegen tot het VMBO, ofwel het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs. Daarbinnen kunnen leerlingen een keuze maken uit vier sectoren, techniek, zorg en welzijn, economie en landbouw die in zowel theoretische als praktische varianten worden aangeboden. Voor de groep leerlingen waarvan al van te voren vast staat dat ze nooit zullen doorstromen naar een middelbaar beroepsniveau, zal de praktijkschool eindonderwijs zijn. Na vier à vijf jaar moeten ze als laagstgeschoolden een plekje op de arbeidsmarkt zien te veroveren. Als hulp in een garage of een kapsalon, bij een schoonmaakbedrijf of bij de plaatselijke supermarkt. Een vak leren is voor deze jongeren te hoog gegrepen, maar ze kunnen wel degelijk worden voorbereid op een werkzaam leven.

Om te kijken hoe een dergelijke praktijkschool er rond de eeuwwisseling uit moet gaan zien, wordt nu al in een aantal steden voorwerk verricht. Het idee van de praktijkschool mag dan als nieuw worden gepresenteerd, de groep leerlingen die ervoor in aanmerking zal komen bestaat natuurlijk al lang. Zij zijn te vinden het voortgezet speciaal onderwijs voor moeilijk lerende kinderen (VSO-MLK), maar ook in het individueel voorbereidend beroepsonderwijs (IVBO). Maar wat is een ideale praktijkschool? En bestaat er eigenlijk wel perspectief op werk voor deze groep? Naar deze twee vragen is inmiddels in Den Haag onderzoek verricht door CPS, gespecialiseerd in onderwijsontwikkeling. “De ideale praktijkschool is klein en overzichtelijk”, zegt CPS-onderzoeker Aaldert van der Horst. “Er is veel individuele aandacht voor de leerlingen en in het lesprogramma wordt voortdurend de koppeling naar de arbeidssituatie gemaakt. Daarnaast werken praktijkscholen nauw samen met het bedrijfsleven en de gemeente om stage- en arbeidsplaatsen voor de leerlingen te verwerven. Niet ieder voor zich uit een concurrerende positie, maar het liefst via een gezamenlijk opgezet bemiddelingsbureau.” Het is vooral van belang, aldus Van der Horst, om de populatie van de praktijkschool 'zuiver' te houden. Daarom is strenge selectie aan de poort noodzakelijk. De praktijkschool mag vooral geen afvalbak worden voor ongemotiveerde of gedragsgestoorde leerlingen uit andere onderwijssoorten. “Het moet een kleine groep met een duidelijk profiel zijn die de praktijkschool bezoekt”, concludeert Van der Horst uit het marktonderzoek onder potentiële Haagse werkgevers. Daaruit blijkt tevens dat er de komende jaren in Den Haag voldoende banen voor laaggeschoolde, maar goed voorbereide en gemotiveerde jongeren zijn. De kunst is om de jongeren van de praktijkschool op deze arbeidsplaatsen te krijgen. Want, zo stelt Van der Horst tevens vast: onbekend maakt onbemind. “Organisaties die al ervaring hebben met de doelgroep hebben veel vaker nieuwe arbeidsplaatsen beschikbaar.”

Dat is ook de ervaring van Hans Huizer, adjunct-directeur en stagebegeleider van De Einder, een VSO-MLK-school in Den Haag. In zeventien jaar bouwde Huizer een goedlopend netwerk op van zo'n vijftig bedrijven in de regio. Met behulp van dit netwerk krijgt hij al zijn leerlingen op stageplaatsen en bijna de helft van de schoolverlaters verwerft via Huizers contacten een baan. Zij krijgen dan nog een jaar begeleiding op de werkplek. Voor leerlingen die nog niet aan de bak zijn gekomen, is er een speciaal schoolverlatersproject gestart in samenwerking met de gemeente. “Het is de taak van de school geworden om deze leerlingen aan een baan te helpen”, zegt Huizer die zich realiseert dat dit wel een zeer ruime opvatting van onderwijs is. “Maar als je ze zomaar loslaat gebeurt er niets en komen ze achter de geraniums terecht.”

De Einder heeft een in de praktijk gegroeid onderwijssysteem dat al veel trekken vertoont van de toekomstige praktijkschool. Gedurende de eerste twee jaar is voor alle leerlingen de halve schoolweek gevuld met vakken als textiel, kinderverzorging, metaal, hout, koken en tuinverzorging. Derdeklassers kunnen vervolgens kiezen voor de richting techniek of verzorging en in het vierde jaar gaan ze op stage. Het vak arbeidsoriëntatie neemt tijdens de hele schooltijd een belangrijke plaats in en strekt zich uit van sociale vaardigheden tot nadenken over welke kant ze uitwillen. Door arbeidsprojecten die binnen en buiten school worden georganiseerd, kunnen ze de eerste werkervaring opdoen onder begeleiding van eigen docenten. Door leerlingen van De Einder wordt een groengebied rond een aantal scholen onderhouden, ze hebben een kattenterras aangelegd bij het dierenasiel en de inrichting van een surfclub aan zee verzorgd. Ook in het aanpalende kinderdagverblijf wordt werkervaring opgedaan.

“We leiden ze hier niet op voor een beroep”, zegt Huizer, “maar we leren ze wel werken.” En dat is precies wat deze leerlingen nodig hebben, want een hoger niveau dan zevende groep basisschool zullen de meesten niet halen. Daarom is Huizer er helemaal niet voor om de basisvorming ook door de strot van de toekomstige praktijkscholen te duwen. Zelfs niet in een afgezwakte vorm. Liever ziet hij dat de gezamenlijke praktijkscholen in de regio een oefenbedrijf kunnen inrichten waar in een tiental beroepsrichtingen opdrachten van buiten kunnen worden verricht. “Door de arbeidssituatie na te bootsen kun je ze goed voorbereiden op een stage en vandaaruit kunnen ze de volgende stap naar een baan in het vrije bedrijf maken.” Intensieve contacten met werkgevers zijn een voorwaarde om deze groep aan de slag te krijgen, maar je moet als school ook niet helemaal op de knieën gaan voor het bedrijfsleven, vindt Huizer. “Het is niet van: u vraagt wij draaien. We blijven tenslotte een onderwijsinstelling die de zorg heeft voor de persoonlijke ontplooiing van de leerlingen.”