Opwinding rond Salmonella

Eerst iets over een jongen die hagedissen hield en die zijn baan verloor. Die jongen werkte in Engeland bij een voedselproducent en kreeg diarree.

Zijn werkgever eiste onderzoek van de ontlasting. Toen daar een paratyfusbacterie in werd gevonden, Salmonella reading, werd de jongen ontslagen, zoals gebruikelijk is bij dit bedrijf. Engelse CAO's zijn geen Nederlandse CAO's. Toen de Salmonella na 3 weken niet verdwenen was, kreeg de jongeman antibiotica en dat hielp. Een maand later bleek hij echter een andere paratyfusbacterie opgedaan te hebben, Salmonella havana, en die was minder makkelijk te verdrijven.

Bij navraag meldde de jongeman dat hij zijn slaapkamer deelde met een steppevaraan (Varanus exanthematicus). De ontlasting van deze hagedis bevatte een derde type paratyfusbacterie, Salmonella agoueve, maar niet de twee die bij zijn eigenaar waren gevonden. Bij verder doorvragen bleek de jongeman zijn huis ook nog te delen met één chuckwalla (Sauromalus obesus), twee groene anolissen (Anolis, ook een hagedis), drie baardagamen (Pogona vitticeps), één prachthoornkikker (Ceratophrys ornata), drie honden, twee katten, één chincilla, vier muizen, een aantal spinnen, sprinkhanen en torren, naast zijn moeder, vader en jongere broer.

Ontlasting van moeder, vader, broer, de zoogdieren, de insecten en de prachthoornkikker was Salmonellavrij. De steppevaraan produceerde Salmonella agoueve en Salmonella widemarsh, de chuckwalla Salmonella muenchen en Salmonella hagenbeck, en de baardagamen Salmonella reading en Salmonella havana. De baardagamen waren dus de infectiebron voor de jongeman van dit verhaal. Gelegenheid tot bacterie-overdracht was ruimschoots aanwezig. De hagedissen zaten geregeld bij de familie op schouder of schoot.

De jongen verkocht zijn hagedissen en verloor na enige maanden de Salmonella-bacteriën in zijn ontlasting zonder verdere behandeling. Al de Salmonella-soorten, die tot nu toe hier zijn genoemd, staan niet bekend als ziekteverwekkers bij de mens. De Engelse overheid vindt het ook niet nodig dat werknemers in de voedselindustrie vrij zijn van deze Salmonellasoorten en het ontslag van deze jongeman was dus niet terecht. Zijn diarree, waarmee dit verhaal begon, had waarschijnlijk niets met de Salmonella in zijn ontlasting te maken.

Dit verhaal komt uit het medische tijdschrift The Lancet (18 mei 1996, pag. 1376). Ik heb het voor u vertaald vanwege de Salmonella in Nutricia-babyvoeding, of liever, die in die voeding zou zitten, of beter gezegd, waarvan op grond van epidemiologisch onderzoek vermoed wordt dat hij in Milumil-melkpoeder gezeten zou moeten hebben. In NRC Handelsblad van 24 januari stond weliswaar dat “de onderneming zelf spreekt van een 'kleine' Salmonellabesmetting, die vanaf oktober bekend is”, maar dat is onzin. Nutricia controleert zijn melkpoeder en heeft nooit Salmonella-bacteriën gevonden in melkpoeder dat op de markt is gebracht. Het bedrijf ontkent ook dat zoiets mogelijk is.

Hoe zit het dan? In Engeland zijn bij 12 baby's met diarree Salmonella-bacteriën gevonden, Salmonella anatum, een serieuze Salmonellasoort, die infecties bij de mens kan geven, zij het geen ernstige. Vervolgens heeft het Engelse Department of Health telefonische gesprekken gevoerd met de ouders van die 12 baby's en met de ouders van 40 andere baby's. Uit die gesprekken bleek een zeer sterk verband tussen de gewraakte Nutricia Milumil-melkpoeder en de Salmonella-infectie. De Britten hebben echter niet de moeite genomen die Milumil-potjes zelf te onderzoeken, zo'n rotsvast vertrouwen hebben zij in de kracht van epidemiologisch onderzoek.

Uiteraard moet geen risico worden gelopen met babyvoeding en niemand betwist dat epidemiologisch onderzoek een krachtig hulpmiddel is bij het opsporen van mogelijke infectiebronnen, maar wat de Britten nu hebben gedaan lijkt mij onbesuisd. De toename van het aantal baby's met Salmonella anatum infectie is al in het laatste kwartaal van 1996 opgemerkt. De piek van de epidemie, als men dat woord mag gebruiken bij 12 gevallen van een lichte infectie, lag eind oktober, begin november. Het duurde echter tot 20 januari voor de Engelsen wakker schrokken, maar toen ging het ook hard. De telefonische enquête werd in twee dagen uitgevoerd en op 24 januari volgde al een persbericht, waarin Milumil-melkpoeder in de ban werd gedaan. Na tweeëneenhalve maand knikkebollen was er plotseling geen tijd meer om te kijken of er werkelijk Salmonella in Milumil zat. Waarom die paar dagen er niet af hadden gekund blijft onduidelijk in het rapport van de Public Health Laboratory Service.

Zo'n Salmonella-infectie is vrij goedaardig en toch geen gekke-koeien-ziekte?

Is een sterk verband tussen het gebruik van Milumil en de Salmonella-infectie dan geen sluitend bewijs dat die baby's hun diarree hebben gekregen van die melkpoeder? Sterke aanwijzing wel, bewijs niet. In de eerste plaats heeft maar een kleine fractie van alle baby's, die Milumil in de maag gesplitst kregen, een voldoende ernstige diarree gekregen om de bacterioloog in te schakelen. Het Engelse rapport schrijft dit toe aan een lage en wisselende besmetting van de melkpoeder, maar dat lijkt mij een nogal gemakzuchtige en onverifieerbare verklaring. In de tweede plaats is Milumil niet een standaard babyvoeding,maar een goedkope voeding. Uiteraard zijn het geen doorsnee ouders, die de goedkope babyvoeding kopen, en het is daarom moeilijk om een goede controlegroep samen te stellen. Tenminste zou gekeken moeten worden naar baby's die een ander goedkoop merk hebben gekregen. Uit het Engelse rapport blijkt niet dat dit gebeurd is. Zelfs als de epidemiologische aanwijzingen sterk zijn, is daarom een bacteriologische verificatie onmisbaar voor een sluitend bewijs. Als ik wil weten of het nu in Bussum regent, kom ik een heel eind met het bestuderen van de weerkaart, maar als ik het zeker wil weten, is de weerkaart niet genoeg. Dan moet ik een analyse doen, dat wil zeggen naar buiten lopen en kijken of ik nat word.

Uiteraard is het mogelijk dat de Milumil-poeder eens besmet is geweest en dat nu alles weer schoon is. Ook dan hadden de Britten het niet bij epidemiologie hoeven laten. Een keuringsdienst van waren kan bijvoorbeeld de bacteriologische controle van het productieproces doorlichten en nagaan of het aannemelijk is dat er een fikse hoeveelheid Salmonella doorgeslipt is. Een fikse hoeveelheid, want zo besmettelijk is de paratyfus Salmonella meestal niet. Met de protocollen van de uitgevoerde fabriekscontroles bij de melkpoederbereiding is dat zeker uit te zoeken.

Inmiddels hebben alle deskundigen zich op de Nutricia melkpoederfabriek in het Franse Colmar gestort. Een Engels team en de Franse overheid hebben fabriek en toeleveranciers uitgekamd en daarbij noch Salmonella, noch een infectiebron gevonden. Dat bewijst niet dat elk pakje Milumil altijd Salmonellavrij is geweest en dat bewijs is achteraf ook niet te leveren. Nutricia houdt zich dan ook koest, het woord schadeclaim is niet gevallen. Een babyvoedingfabrikant kan geen negatieve publiciteit gebruiken en poogt het zoetste kind van de klas te zijn. Alle Milumil is van de schappen gehaald; de fabriek wordt nog een keertje extra schoongemaakt; dank u wel Engelse meester voor uw pre-emptieve stokslagen die ons op het rechte pad houden. Bij mij blijft echter enige twijfel. Het zou mij niet verbazen als straks blijkt dat de Britten de echte infectiebron hebben gemist en dat de Salmonella-'epidemie' bij Engelse baby's gewoon doorgaat, ook zonder Milumil.

Overigens wil ik u niet met de indruk achterlaten dat het met die darmbacteriën, zoals Salmonella en E. coli, wel meevalt. Eerder schreef ik hier al over de toxines, die deze bacteriën maken, en die in ontwikkelingslanden verantwoordelijk zijn voor de dood van circa een miljoen mensen per jaar, voornamelijk jonge kinderen. Ook de bestrijding in onze omstreken wordt meer en meer gehandicapt door de resistentie van bacteriën tegen antibiotica. Dat valt te lezen in een Nederlands boekje 'Als Vanco valt', onlangs verschenen bij Belvédère onder redactie van Jannes van Everdingen e.a.. Vanco is vancomycine, één van de laatste antibiotica waar sommige multiresistente bacteriën, zoals stafylococcen, nog gevoelig voor zijn. Omdat het als laatste redmiddel fungeert, wordt vancomycine terughoudend toegepast door dokters, maar niet door boeren, die sinds 1974 hun varkens met een vancomycine-analoog inspuiten. “Alle pogingen om het middel (die vancomycine-analoog, PB) in Europa verboden te krijgen, op initiatief van Duitsland en Denemarken, zijn door de Europese wetenschappelijke commissie voor dierlijke voeding afgewezen, zolang de besmetting van dier op mens nog niet is aangetoond” ('Als Vanco valt', p. 99).

Zo debatteren we heftig verder over virtuele risico's, de stier Herman, transgene muizen en genetisch gemodificeerde maïs, terwijl onderwijl de boeren vermalen kadavers aan hun koeien voeren en vancomycine spuiten. Wonderlijke wereld.