Nieuw sociaal beleid vergt meer lokale creativiteit

De werkloze die weigert te solliciteren, wordt gestraft. Akkoord, vindt Jan Ott, maar wie nuttig onbetaald bezig is, zou wel tijdelijk ontheffing moeten kunnen krijgen van de sollicitatieplicht. Wim van Oorschot en Joop Roebroek vinden dat gemeenten meer armslag moeten krijgen om werklozen te stimuleren tot 'sociaal burgerschap'.

De aanpak van de langdurige werkloosheid staat weer volop in de belangstelling. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid bepleit het opwaarderen van banen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Politici van VVD, CDA en D66 dringen aan op verlaging van het minimumloon.

Dat alles onder het vaandel van de paarse leuze 'werk, werk en nog eens werk'. Daarbij vormt betaalde arbeid de belangrijkste voorwaarde tot volwaardige deelname aan de samenleving.

Maar wat te doen wanneer blijkt dat er eenvoudigweg niet voldoende banen zijn om meer dan een kwart miljoen burgers aan betaalde arbeid te helpen? Moeten actieve vrijwilligers - zoals Marta Resing - hun zinvolle activiteiten opgeven? Moeten zij gedwongen worden te solliciteren naar banen waarvoor vele andere kandidaten beschikbaar zijn? Moeten bijstandsmoeders die van mening zijn dat thuis hun belangrijke taak ligt, worden verplicht buitenshuis te werken? Moet de gedeeltelijk arbeidsongeschikte bij elke sollicitatie geconfronteerd worden met zijn ongemak?

Wordt het niet gewoon tijd genuanceerder te denken over 'werk'? Het begrip 'maatschappelijk nuttige activiteiten' serieuzer te nemen? Niet alleen het produceren van economische welvaart, maar ook het verhogen van maatschappelijk welzijn aandacht te geven?

Op lokaal niveau winnen deze vragen aan betekenis. Daar gaan politieke partijen, gemeentebesturen, sociale diensten en maatschappelijke instellingen de discussie aan. Maar zijn de burgers klaar voor een dergelijk debat?

Landelijk onderzoek van de Katholieke Universiteit Brabant laat zien dat ruim 90 procent van de bevolking aan werklozen nog altijd de plicht wenst op te leggen om actief naar regulier, betaald werk te zoeken. Maar tegelijkertijd is een grote meerderheid, tussen de 55 en 75 procent, van mening dat met die arbeidsplicht soepel moet worden omgesprongen. Dat geldt met name voor langdurig werklozen die actief zijn als vrijwilliger, zieke familieleden verzorgen, alleenstaande kinderen opvoeden, geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn of ouder dan 55 jaar zijn. Betreft het een alleenstaande ouder met een kind in kleuter- of lagere-schoolleeftijd of iemand die nauwelijks nog een reële kans heeft op betaalde arbeid, dan blijkt zelfs zo'n 40 procent van de bevolking van mening dat deze burgers geheel dienen te worden vrijgesteld van de arbeidsplicht.

Nederlanders achten arbeidsinschakeling van werklozen een belangrijk uitgangspunt. Maar niet zó belangrijk, dat het koste wat kost onder alle omstandigheden ook daadwerkelijk moet worden gerealiseerd. Zij kiezen voor een genuanceerde opstelling. Zeker wanneer het gaat om werklozen die nauwelijks kans maken op betaalde arbeid of zich op andere wijze actief inzetten voor de samenleving.

Dit betekent geenszins dat zij van mening zijn dat kansloze uitkeringsgerechtigden - de blijvers in de bijstand - dan maar ongemoeid moeten worden gelaten. Uit een peiling, die in het kader van het 'Stadsgesprek Sociale Activering' is gehouden onder de bevolking van Utrecht, blijkt dat ruim tweederde van de ondervraagden vindt dat de gemeente een belangrijke verantwoordelijkheid draagt in de strijd tegen het sociale isolement van bijstandsontvangers. De gemeente moet langdurig werklozen aanzetten tot maatschappelijke participatie, aldus deze royale meerderheid.

Opvallend is dat 80 procent van de Utrechters van mening is dat de gemeente dit moet zien te bereiken door werklozen te stimuleren tot enige vorm van vrijwilligerswerk of maatschappelijke deelname. Een minderheid (45 procent) vindt dat de gemeente werklozen moet dwingen een reguliere, betaalde baan te zoeken. En uiteindelijk vindt maar 24 procent dat de gemeente werklozen moet verplichten vrijwilligerswerk te doen.

De stellingname van de Utrechtse bevolking is helder: blijvers in de bijstand mogen niet aan hun lot worden overgelaten. Daarbij moeten niet dwang en verplichtingen in de richting van betaald arbeid voorop staan, maar het bevorderen en stimuleren van zinvolle activiteiten en maatschappelijke deelname van burgers.

Deze onderzoeksuitkomsten brengen belangrijke nuances aan bij het 'paarse' arbeidsmarktbeleid. Niet dat de kerndoelstelling van 'werk, werk en nog eens werk' wordt aangetast. Maar de uitkomsten vragen wel om een minder krampachtige en meer creatieve omgang met dat uitgangspunt.

De ondervraagden zien onder ogen dat het probleem van de werkloosheid structureel van aard is en niet binnen korte tijd is op te lossen. Tegelijkertijd erkennen zij het belang van maatschappelijke participatie door uitkeringsgerechtigden. Daarbij wordt lokale overheden een belangrijke taak toegedicht in het scheppen van ruimte voor het stimuleren en aanmoedigen van werklozen. Van louter dwang en verplichting verwachten ze minder.

Er bestaat een duidelijk maatschappelijk draagvlak voor het verbreden van het arbeids- en participatiebegrip. Voor het stimuleren en belonen van 'sociaal burgerschap'. Daarvoor zijn voldoende maatschappelijke taken voorhanden: opvoeding en opvang van kinderen, verzorging en hulpverlening, jeugd- en jongerenwerk, activiteiten op school, afvalinzameling en milieutaken. Dat zijn vrijwel allemaal activiteiten waarbij het gaat om motivatie en betrokkenheid. Om waardering en 'gezien worden'. Dwang en verplichting werken hier alleen maar averechts.

Wellicht dat in dit kader de introductie van een activiteitenloon ter vervanging van de uitkering van betekenis is. Burgers gaan voor bijvoorbeeld een jaar een contract aan met de lokale overheid voor het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten. Een contract op basis waarvan zij eventueel noodzakelijke scholing en andere vormen van ondersteuning (zoals onkostenvergoeding) kunnen verwachten, vrijgesteld worden van sollicitatieplicht en recht hebben op WW/WAO- en pensioenopbouw.

Het wordt tijd dat ook de landelijke overheid inziet dat uitkeringsgelden een investering kunnen vormen in de toekomst van de samenleving en aldus een bijdrage kunnen leveren aan de produktie van welzijn. Dat daarbij op de eerste plaats niet dwang, verplichting, bureaucratische hindernissen en centrale regie gevraagd zijn, maar juist vertrouwen in lokale creativiteit en ondernemingszin, kortom in eigen verantwoordelijkheid van burgers.

Daarbij is het tevens van belang dat de landelijke overheid accepteert dat mensen bewust zinvolle maatschappelijke activiteiten kunnen verkiezen boven 'baanarbeid'. Dat zij daarvoor ook verantwoording wensen af te leggen. Ook hier in termen van een helder omschreven contract met de lokale overheid.

Daar liggen mogelijkheden voor een verniewing van de sociale politiek. Voor een verbreding van het begrip 'werk' binnen de leuze 'werk, werk en nog eens werk'.