Klassen op drijfzand

In welke klas leer je meer, denken jullie, in een kleine of in een grote, vroeg ik aan twee meisjes, die nog niet zo lang geleden van de toen nog lagere school waren gekomen en allebei ervaring hadden met diverse typen klassen. Het was 1980 en er was naar aanleiding van gepubliceerde onderzoeksgegevens weer volop discussie over de klassengrootte. Die is in Nederland trouwens eigenlijk niet opgehouden sinds in 1963 de nog vooroorlogse leerlingenschaal van 55 na diverse schommelingen op 42 werd gesteld. In 1980 was zij, na geleidelijke daling, 30.

Toen kwam een onderzoeker - ik meen Batenburg - met resultaten waaruit, tegen ieders hoop en verwachting in, bleek dat in grotere klassen gemiddeld iets hogere schoolcijfers werden behaald. Bewijzen waren er niet, maar men veronderstelde dat het misschien iets te maken zou kunnen hebben met een grotere onzelfstandigheid van leerlingen in kleine klassen. Afhankelijker van de leerkracht en gemakzuchtiger omdat er altijd wel hulp is. Misschien waren deze onderzoeksresultaten mede oorzaak dat minister Deetman in 1983 de Kamer kon overtuigen dat de klassengrootte in het kader van de bezuinigingen wel omhoog kon naar 32.

De antwoorden van de meisjes kwamen zo frappant overeen met bovengenoemde veronderstelling dat ik ze heb opgeschreven. “Een kleine klas is veel gezelliger. Dat wel, maar dat leidt juist zo af. Je bent veel meer met elkaar bezig over àndere dingen. In een grote klas werk je meer. Omdat het niet zo gezellig is ga je maar luisteren en leren.”

“In een kleine klas kun je veel makkelijker zeggen 'dat begrijp ik niet', of 'wilt u dat nog eens uitleggen', of 'ik hoorde niet wat u zei'. Meesters en juffies zijn in een kleine klas veel makkelijker in die dingen. Dat wéét je. Dus je let minder op. Dat gaat vanzelf.”

Ervaringsdeskundigen avant la lettre. Natuurlijk gaat er geen enkele bewijskracht uit van wat zij zeiden; zij hadden het over een gevóel. Maar dat is nu juist ook het kenmerk van discussies over klassengrootte: iederéén praat vanuit een gevoel. Ook voorstanders van kleine klassen. En het lijkt ook zo vanzelfsprekend: hoe kleiner, des te veiliger een kind zich voelt, des te meer aandacht het krijgt, des te meer het open zal staan voor leerprocessen. Het voelt haast zo logisch aan, dat je er niet tegen kunt zijn.

Het kort geleden verschenen rapport Klassenverkleining voor staatssecretaris Netelenbos is hierop geen uitzondering; het is een 'gevoelsrapport'. En de Kamerbrede ondersteuning is een 'gevoelsmeerderheid'. Je hoeft niet eens het advies te lezen om het er mee eens te zijn en er vóór te stemmen. Het is allemaal heel sympathiek, maar om op het gevoel per jaar duizend miljoen extra uit te geven, is misschien toch niet zo verstandig.

Wie het rapport leest, kan niet anders dan concluderen dat de samenstellers geen feitelijke onderbouwing kunnen geven aan hun advies. Ze doen wel alsof: er staan veel cijfers, grafieken en staafdiagrammen in, dus het oogt als van degelijke empirisch komaf. Maar men moest de cijfers ten bate van het goede doel wel erg creatief interpreteren om ze als ondersteuning te kunnen gebruiken. Als ze op hun werkelijke waarde worden beoordeeld, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat er geen aanwijzingen zijn dat verkleining van klassen als zodanig tot de door de commissie gewenste 25 leerlingen ten goede komt aan leerprestaties. Bovendien dat niet eens duidelijk is hoeveel gewicht klassengrootte in samenhang met andere factoren in de schaal legt.

Er is in de harde gegevens over de Nederlandse scholen - waarvan 71 procent klassen heeft tussen 21 en 30 leerlingen - geen patroon te ontdekken. In sommige leerjaren worden voor sommige vakken bij kleinere klassen betere leerprestaties gevonden, voor andere jaren en andere vakken juist bij grotere. De verschillen zijn ook niet dramatisch, noch die in klassengrootte, noch die in leerresultaat. Bovendien zijn met name de klassen voor 'probleemkinderen' al lang kleiner dan het gemiddelde, doordat de scholen het extra geld dat zij krijgen voor allochtone leerlingen en autochtone leerlingen uit achterstandmilieus veelal gebruiken voor klassenverkleining. Het laat zich aanzien dat vooral goede, populaire scholen met wachtlijsten zullen profiteren van een verlaging naar 25. Klassen van dertig worden gesplitst en er kunnen weer twintig kinderen bij.

De Amerikaanse onderzoeksgegevens die in het advies worden opgevoerd kunnen zonder meer buiten beschouwing blijven. Het geldigverklaren van de bevindingen, die daar onder zo heel andere omstandigheden worden gedaan, voor de Nederlandse situatie is dubieus. Een aardig gegeven in Nederland is dat leerkrachten zelf in onderzoek weliswaar ook een voorkeur uitspreken voor kleine klassen, maar dat er geen enkel verband is tussen het plezier in hun werk en de grootte van de klas die ze onder hun hoede hebben.

Er wordt in het rapport ook nogal eens gesuggeréérd. Zo staan naast elkaar twee tabellen. Op de ene zijn diverse landen gerangschikt naar hun gemiddelde klassengrootte, op de andere naar de prestaties van negenjarigen bij begrijpend lezen. Op beide staat Nederland in de onderste helft, relatief grote klassen, relatief lage leerlingprestaties. De suggestie is duidelijk: dat komt ervan! Wie de samenhang tussen beide reeksen cijfers berekent, ziet dat er voor de vijftien landen waarvan beide gegevens bekend zijn, geen enkel verband is tussen het één en het ander.

Er is nog iets anders dat ik me afvraag. Er is een alom beleden geloof dat zo veel mogelijk aandacht moet worden besteed aan het individuele kind in de klas. In een kleine klas zou dat beter zijn gewaarborgd. Nog afgezien van het feit dat men de uniciteit van een mensenkind nu ook weer niet moet overdrijven - voor zijn ouders is een kind natuurlijk wel uitzonderlijk, maar als groep hebben kinderen van eenzelfde ontwikkelingsniveau heus veel gemeen -, valt dat eigenlijk niet zo goed te rijmen met de tegenwoordige kritiek op de individualisering. Zou het voor een sociale instelling in de samenleving niet goed zijn als een kind op school als groepslid, als-één-uit-de-klas, wordt benaderd in plaats van als dat oh zo speciale individu?

Daarom ten slotte nog een opgetekende uitspraak van de meisjes uit 1980: “In een grote klas zitten meer kinderen die goed zijn en dan is dat gew=ner. In een kleine klas zijn de goeie kinderen gauwer een uitzondering en dan denk je veel eerder dat jij dat toch niet kan. De verschillen in cijfers zijn in een kleine klas vaak groter. In een grote klas zijn er altijd wel een paar zoals jij en dan laat je het er minder bij zitten.”