Kamerlid moet vóór alles regering controleren

Voor elk normaal beroep worden functie-eisen gesteld, eisen die in de loop van de tijd veranderen. Door betrokkenen wordt daar uitgebreid over gesproken en kandidaten worden aan die eisen getoetst. Een volstrekt logisch gebeuren.

Voor op zijn minst één beroep of vak lijkt zo een procedure niet nodig: volksvertegenwoordiger. Het is ook geen normaal beroep, in die zin lijkt het logisch ongericht te roepen dat er vernieuwd moet worden. Grote aantallen volksvertegenwoordigers zouden het veld moeten ruimen.

Na een periode waarin de PvdA in dit opzicht uitblonk, slaat het virus van de vernieuwing toe bij het CDA. Vernieuwing heeft alleen zin als duidelijk wordt aangegeven wat je ermee bereiken wilt. Die duidelijkheid ontbreekt helaas. Vernieuwing om de vernieuwing, lijkt het parool. Problemen ontstaan als er geen rekening meer gehouden wordt met wat in essentie het werk van een parlementariër is: het controleren van de regering.

Dat stelt zo zijn eigen eisen. In de politiek zijn vernieuwingen, veranderingen nodig. Op tal van terreinen is zelfs sprake van een herijking van de rol van de politiek. Dat blijkt moeilijker dan gedacht. Bij elke discussie over het te voeren beleid moet rekening gehoudenworden met de opvattingen en verwachtingen van de achterban, de kiezers. Niet alleen wat de inhoud van het beleid betreft, ook de manier waarop tot besluitvorming wordt gekomen. Uiteindelijk vergt dat veel van het vermogen te kunnen communiceren met de achterban.

Voor mij staat vast dat het uit kunnen leggen en verantwoorden waartoe besloten is, één van de belangrijkste vereisten is waaraan een Kamerlid moet voldoen. Een min of meer betweterige en/of autistische manier van communiceren is uit den boze.

Vernieuwers die nog een stap verder willen gaan en het 'luisteren' tot de centrale eis verheffen, gaan te ver en doen uiteindelijk aan volksverlakkerij. Politici zouden meer en beter naar de achterban moeten luisteren. Dan zou ook de kloof tussen de 'politiek' en de 'burgers' overbrugd kunnen worden. Alleen maar luisteren verlamt de politiek of leidt tot incidenteel gedrag.

Als de PvdA beter geluisterd had naar de achterban was de WAO nooit veranderd en waren weinig bezuinigingen doorgevoerd. Toch valt te beargumenteren dat daarmee de basis gelegd is voor het herstel van de werkgelegenheid - bij uitstek een thema waarop de PvdA wil scoren.

Ook de Economische en Monetaire Unie, grote infrastructurele werken, laat staan een effectiever milieubeleid zullen niet van de grond komen door alleen naar de achterban te luisteren. Als de toekomst een kans wil krijgen, zullen parlementariërs bereid moeten zijn hun nek uit te steken en de discussie aan te durven.

In dit opzicht nemen de te stellen eisen toe, mondiger burgers laten zich niet met een kluitje in het riet sturen. Het voeren van zo'n discussie lukt alleen als men over een zekere deskundigheid beschikt. Die is bovenal nodig om de hoofdzaak van een volksvertegenwoordiger uit te kunnen voeren: het controleren van de regering.

Deze hoofdtaak komt in de discussie over vernieuwing vrijwel niet meer aan de orde. Dat is uiteindelijk dodelijk voor het kunnen functioneren van het parlement. Het tegenwicht kunnen bieden aan regering en ambtenaren, laat staan de lobbyisten, wordt sterk bemoeilijkt als fracties steeds weer 'vernieuwd' worden.

Tegelijkertijd worden specifieke vaardigheden en een meer dan normaal inzicht en deskundigheid in politieke processen verlangd. Voor goede parlementariërs is bepalend de manier waarop en de mate waarin ze hun opvattingen buiten en bovenal in het parlement gerealiseerd krijgen. Dat is hard en moeizaam werken, waarvoor overleg met veel buitenstaanders nodig is.

De onder meer door de CDA-jongeren gevraagde opinieleiders en trendsetters zullen als volksvertegenwoordiger door de mand vallen als ze in het parlement nog geen deuk in een pakje boter kunnen slaan. Het effectief verrichten van het Kamerwerk is een vak dat niet iedereen goed zal liggen.

Interessant is dat sommigen vaststellen dat van de vernieuwing van de PvdA-fractie nu niet zoveel meer te merken is. Dat is geen verbazingwekkende conclusie. Veel van de leden die op de vleugels van de vernieuwing zijn binnengekomen, zijn gewoon het vak van parlementariër gaan uitoefenen. Het vak waarvoor ze gekozen hebben.

Bij elke vernieuwing zal aangegeven moeten worden waar die op gericht is. Op straffe van het uithollen van de positie van het parlement zal rekening gehouden moeten worden met de eisen waaraan volksvertegenwoordigers moeten voldoen. Dan nog kan het logisch zijn dat een fractie fors van samenstellimg verandert. Dat is en blijft voor politici een risico van het vak.

Het is te hopen dat de commissies die zich met het opstellen van de kandidatenlijsten bezighouden zich primair laten leiden door wat van volksvertegenwoordigers verwacht mag worden. Vernieuwing om de vernieuwing leidt tot niks.