Het Salomonsoordeel van het DNA; 99,99 % vader

Het is de oerangst van de man: kinderen grootbrengen dat niet van hem zijn. In 1996 werd in Nederland het recordaantal van 250 vaderschapstesten afgenomen. In toenemende mate op verzoek van de kinderen. 'Het gaat niet eens om die vader, het gaat om onszelf.' Wortelzoeken in de genen.

Wij kennen geen verhalen”, zegt Gerda de Lange. Ze wijst op een wit rekje waarin reageerbuizen hangen. “Wij prikken bloed. Van vaders, kinderen en moeders. En we kijken daarna of ze bij elkaar horen.”

De Lange is hoofd immunogenetica op het Centraal Laboratorium van de Bloedtransfusiedienst (CLB) van het Nederlandse Rode Kruis, het enige Nederlandse laboratorium waar vaderschapsonderzoek wordt gedaan. Sinds zes jaar geleden de DNA-test werd ingevoerd, kan een vader met een zekerheid van 99,99 procent worden aangewezen. In 1996 bereikte het aantal bij het CLB afgenomen testen een recordhoogte: ruim 250 tegen 70 in 1987. Een onvermoede toename, hoewel het cijfer nog laag is vergeleken bij de opkomst van paternity testing in andere landen. De Lange kan naar de reden slechts gissen.

Doorgaans komen de mensen via hun huisarts, maatschappelijk werker, of advocaat bij het CLB terecht. “De uitslag sturen we naar de tussenpersoon. En wie dat niet wil, moet schriftelijk vastleggen dat hij in elk geval niet rekent op nazorg bij het CLB. Voor ons bestaan ze uit serum, enzymen en DNA.”

Het CLB maakt altijd foto's van de potentiële vaders en vingerafdrukken van wie zich laat testen ten behoeve van een rechtszaak. De Lange: “Het gebeurt wel dat mannen, als ze ons met die camera zien aankomen, vragen of ze even naar de wc mogen, de gang oplopen en spoorloos verdwijnen. Het zou niet de eerste keer zijn dat een mogelijke vader zijn vriend stuurt. Met een foto of vingerafdrukken kunnen we controleren of de man wiens bloed werd afgenomen ook werkelijk de betwiste vader is.”

Niet bekend

Oerangst van de man

“Iedereen zegt: doe die test in het belang van je kind”, zegt Fred Koppejan. Sinds twee jaar voert hij een juridische strijd met de moeder van zijn zoon. Tijdens haar zwangerschap, na een relatie van vier jaar, gingen ze uit elkaar. Koppejan mocht het kind niet erkennen, maar bleef wel acht jaar co-ouder. Tot de moeder zijn vaderschap ontkende. “Mijn ex-vrouw zegt nu dat ik een betaalde oppas was. Dat ik geobsedeerd zou zijn door het kind. Dat de vader een donor is. Mijn zoon is nu tien en hem werd ineens verteld dat ik zijn vader niet ben. Met een DNA-bewijs wil ik de schade voor hem beperken. Identiteit is belangrijk.” Zelf is hij overtuigd van zijn vaderschap. “En mijn advocaat denkt dat die DNA-test wel wordt gelast.”

Toch kan niemand in Nederland tot een vaderschapstest worden verplicht. Volgens de wet is het lichaam van vaders en kinderen onaantastbaar. Maar al is dwang niet mogelijk: een vaderschapstest geldt als krachtig juridisch bewijs en een weigering kan van invloed zijn op de uitspraak.

René Hoksbergen, hoogleraar adoptie in Utrecht, pleit al jaren voor het fundamentele recht van kinderen op kennis van hun biologische afstamming - tot ongenoegen van de zogeheten KID-ouders (kunstmatige inseminatie met donorzaad). Hoksbergen ontmoette veel kinderen die op zoek gingen naar hun biologische ouder. “Zelfs als ze niet werd verteld dat de man uit het gezin hun vader niet is, ontdekken ze het meestal - het onbestemde gevoel dat er iets niet klopt kan heel sterk zijn.” Vaak wordt hem om advies gevraagd. “Iemand heeft een vader gelokaliseerd. En dan? Die man pardoes uitnodigen op het laboratorium voor een DNA-test? Ik adviseer eerst een gesprek onder vier ogen. Benader de mogelijke vader met een smoes en breng het onderwerp voorzichtig ter sprake. Niet meteen: ik heb ontdekt dat ik je kind ben, en wil je wat bloed meenemen voor de zekerheid. Als de veronderstelde vader weigert, bemiddel ik soms. Medewerking heeft voor vaders van oudere kinderen volstrekt geen sociaal-economische gevolgen. Wel heeft het een positief psychologisch effect op het kind. Het staat vast dat het welzijn van mensen met sprongen vooruit gaat als zij hun onbekende vader vinden. Met een beetje tact stemmen veel mannen wel in met een DNA-test.”

In medische handboeken wordt aangehouden dat tien procent van alle kinderen niet verwekt is door de persoon die zelf denkt de vader te zijn. Amerikaanse onderzoekers kwamen zelfs met een cijfer van 18 procent, wat grote opschudding veroorzaakte.

Evolutiebiologen noemen het de oerangst van de man: kinderen grootbrengen die niet van hem zijn. Zolang mannen vrouwen niet verhinderen van hun zijde te wijken, is hun vaderschap onzeker. Simone Poortman van de VSOP-informatielijn (met voorlichting over erfelijke en aangeboren aandoeningen) krijgt regelmatig telefoontjes van vrouwen die hun man willen overtuigen. “Omdat hun kind volstrekt niet op hun partner lijkt. Ze vragen hoe dat kan. Ik vertel ze dan over de wetten van de erfelijkheid, over krullen en sproeten, en dat een vader met blauwe ogen echt niet per se een kind met blauwe ogen hoeft te krijgen. Maar soms helpt redelijkheid niet. Als het wantrouwen zo ernstig is, verwijzen wij ze naar het CLB voor een vaderschapstest.”

Maar in veel gevallen is de vader al uit beeld voordat hij aan zijn vaderschap kon twijfelen. In Nederland kunnen vrouwen probleemloos aangifte doen met een 'vader onbekend'. In Duitsland moet de moeder bij de geboorte hoe dan ook een onderhoudsplichtige vader aanwijzen. En in de Verenigde Staten helpt de overheid speuren als de verwekker de benen neemt. Ontkent hij, dan volgt in veel gevallen een vaderschapsonderzoek in een van de 53 genetische centra die het land telt. De regering heeft daartoe bulkcontracten met laboratoria afgesloten. Is de vader een passant? Desnoods wijst de moeder verscheidene vaderkandidaten aan, dan zoekt het laboratorium de juiste vader bij het DNA van de baby. Foetussen van een week of acht kunnen al worden onderzocht.

Een groot Amerikaans laboratorium voor DNA-onderzoek sponsort een website op het Internet, waar iedereen die iets te zeggen heeft over paternity testing terecht kan bij een druk bezochte internationale nieuwsgroep. Meestbesproken onderwerpen: DNA en geld. Een meisje meldt er dat ze wanhopig op zoek is naar haar vader, een radeloze scholier van twintig dat hij vermoedelijk vader is van een kleuter van vier.

Advocaten en sociaal werkers sturen adviezen naar de website: wees geen donor voor een lesbische vriendin, want als ze geldgebrek krijgt en een DNA-test eist, bent u financieel de klos. Kijk ook uit bij prostituees - duizend dollar per maand, twintig jaar lang, is een veelgestelde eis. In de VS geldt back support; alimentatie met terugwerkende kracht, die kan oplopen tot een bedrag met zes cijfers.

Het is de nachtmerrie van de Amerikaanse veertiger: de vruchten van zijn seksuele ervaringen maken zich bekend en vragen om een DNA-test. Wanhopig schrijft een middelbare man naar de website dat een jonge vrouw hem plotseling opbelde. “Haar verhaal was bepaald niet onmogelijk. Het was in het begin van de jaren zeventig, ik had veel losse contacten. Ik herinnerde me inderdaad dat ik met haar moeder naar bed ben geweest. Maar ik weiger een vrijwillige DNA-test.” De betwijfelde dochter dringt aan: haar gaat het niet om geld. “Maar als die moeder dwars gaat liggen moet ik mijn huis verkopen en dan nog ben ik genoodzaakt te lenen. Ik heb een vrouw en twee kinderen. Die kan ik dit toch niet aandoen? Ze weten niets, en dat wil ik zo houden.”

Ook in Nederland beginnen steeds meer alleenstaande moeders een rechtszaak tegen de verwekker van hun kind. “Als er ook maar een spoortje bewijs is voor een relatie en de man ontkent het vaderschap, dan komt er al snel DNA-onderzoek”, zegt advocate Gabi van Driem. “Ik heb nog nooit meegemaakt dat dat niet lukt en ik heb wel dertig dergelijke zaken per jaar.” Onlangs pleitte ze voor een vrouw die beviel van een 'liefdesbaby'. Althans, als zodanig was het kind bedoeld. De man, getrouwd met een ander, ontkende zijn vaderschap - hun kortstondige relatie was over en hij was weer terug bij zijn echtgenote. Maar de test wees hem aan als vader.

Het Fiom, een hulporganisatie voor ouders, constateert een toename in het zoekgedrag van de kinderen. Staffunctionaris Dorien Eilers: “Wij helpen hen zoeken. De ene potentiële vader blijkt meteen bereid een test te ondergaan, de andere reageert grof: Die slet van toen! Stel je voor, een knul van zestien, rommelen met zijn meisje. Soms was er niet eens sprake van gemeenschap, maar van een snelle zaadcel. Dan wist zo'n jongen zelfs niet dat z'n vriendinnetje zwanger was, vermoedde hij het hooguit, als ze plotseling dienstbode in Duitsland werd.

Het incident werd meestal verdrongen, vermoedt Eilers. Dat was de uitweg voor de moeder, die het kind moest afstaan, en ook voor de vader, de bevruchter. Maar hun kinderen reageren tegenwoordig anders. . “Iedereen vraagt zich op een dag af: wie ben ik”, zegt Eilers. “Vroeger was je Pietje of Ansje, uit die en die familie, met een geloof, een ideaal, en een dorp en een kerk. In vijfentwintig jaar tijd is dat veranderd. Tegenwoordig bestaat een kind uit de genen van twee ouders.”

'Wortelzoeken' heet het onder vaderspeurders. 'Identiteit' zegt de psychologie. Dramatische herenigingen zijn televisieamusement geworden. Voor speurprogramma's, zoals KRO's Spoorloos, is de biologische vader die na dertig jaar zijn kind omhelst een dankbare publiekstrekker.

Peter van Ravenstein, 51 jaar, is sinds vijf jaar op zoek naar zijn vader. Kleermaker zou hij zijn, joods, een Engelse soldaat. Van Ravensteins vrouw zag op een dag een portret in de krant van een joodse kleermaker op leeftijd, met een Engelse naam, woonachtig in Peters geboorteplaats Grave. Hij leek op Peter. Bij navraag bleek hij inderdaad een veteraan, blijven hangen in Nederland.

Van Ravenstein: “Hij zei direct: er waren zoveel meisjes in die tijd. Toch gaf hij toe dat de gegevens klopten. We spraken af en ontmoetten elkaar op een station. In een flits ging door me heen: dit kan bijna niet. Maar in dezelfde seconde duwde ik die gedachte weer weg. Ik had hem gevonden. Hij moest mijn vader zijn. 'Wil je me helpen', vroeg ik. 'Met een DNA-test?' Hij schrok, maar stemde toch toe.

“De uitslag was negatief. Hij was voor 100 procent uitgesloten van het vaderschap. Het was een enorme teleurstelling. Ik had mezelf gewend aan het idee dat ik eindelijk ontdekt had wie ik was. Dat gaf een rust die nu in één klap weer verdween. De man die mijn vader niet is, heeft een broer in Engeland, die ook soldaat was en ook kleermaker. Ik heb het CLB gebeld: kan dat, kan een broer mijn vader wèl zijn met deze biologische gegevens. Dat kan dus. Er is zelfs nog een broer. Ja, ook kleermaker. Maar de twee broers die ik heb gesproken, doen erg hun best om me uit de buurt van de derde te houden. Het zou kunnen dat ze hem proberen te beschermen.”

“Ik kan ze geruststellen”, zegt Tiny Oosterhoff cynisch. “Na de oorlog is bepaald dat kinderen van bevrijders nergens aanspraak op kunnen maken.” Oosterhoff is voorzitter van de Vereniging van Bevrijdingskinderen, die grote expertise heeft in het opsporen van veteranen die in 1945 Nederlandse vrouwen hebben bevrucht. “Soms weten veteranen zelf niet meer met hoeveel meisjes ze indertijd naar bed zijn geweest. We merken dat ze ontzettend bang zijn dat we geld gaan eisen.”

Dat is niet het doel van de leden, zegt Oosterhoff. “Wij willen alleen een vader. Het gáát niet eens primair om die vader, het gaat om onszelf. Om een wortel, om kennis van datgene dat je compleet maakt.”

Donker zoontje

Precies op het moment dat biologisch vaderschap steeds belangrijker wordt, lijkt moderne voortplantingstechnologie nieuwe onzekerheid te genereren. Op het CLB werd vorig jaar na vaderschapsonderzoek het vermoeden bevestigd dat een fout was gemaakt bij een reageerbuisbevruchting (IVF) in het Academisch Ziekenhuis in Utrecht. Het donkere zoontje van de tweekleurige Stuart-tweeling was niet verwekt door de man van het echtpaar, het blanke kind wel. Door een procedurefout was sperma van een andere man terechtgekomen bij een van de eicellen van de moeder. In het Academisch ziekenhuis Utrecht mochten vier andere, ongerust geworden IVF-paren op kosten van het ziekenhuis een DNA-test doen. “Alle vier de bezorgde ouders waren ook de biologische ouders”, aldus professor Te Velde van het ziekenhuis.

In andere IVF-klinieken is volgens de verantwoordelijke gynaecologen geen sprake geweest van vaderschapsonderzoek in reactie op de Utrechtse fout. In het Medisch Centrum voor Geboortenregeling in Leiden liet onlangs Vera de Groot een DNA-test doen, na de geboorte van haar IVF-kind. Kort voordat embryo's bij De Groot zouden worden ingebracht had de assistente een fout ontdekt: er lagen verkeerde spermacellen in het schaaltje. Nu duurt het altijd een poosje voordat zaad- en eicel elkaar vinden, dus 'spoelde' ze het materiaal, om de eicellen alsnog bij de juiste zaadcellen te brengen. Of er onder de verkeerde zaadcellen niet toevallig een snelle was, die zijn werk al in die eerste paar uur gedaan had, viel niet te zien.

De Groot had al een kind, dat geboren was na kunstmatige inseminatie met donorsperma. Haar tweede kind wilde ze graag van dezelfde donor. Diens zaad was op voorraad, dus dat kon. De Groot, inmiddels begin veertig, “was al acht jaar aan het tobben om dat tweede kind te krijgen. Bij de laatste poging had ik had een klein beetje hoop omdat ze me verteld hadden dat ik van die prachtige eicellen had geproduceerd. Dat was al die andere keren niet het geval. Opeens kwam de assistente zenuwachtig binnen en biechtte haar vergissing op. Ik kon kiezen: onzekerheid over de donor of de behandeling staken. Die assistente kreeg de volle lading van me. Hoe kon ze een fout maken juist nu mijn eicellen een keer goed waren? Al vond ik de keuze moeilijk, ik maakte hem snel. En het wonder geschiedde, ik werd zwanger.”

Na de bevalling zat ze er toch mee: was deze donor nou dezelfde als de eerste. De DNA-test stelde haar gerust. “Ik was verschrikkelijk opgelucht, het deed me zelfs nog meer dan ik had verwacht. Acht jaar eerder, toen ik beviel van mijn eerste KID-kind, was de vader niet zo'n kwestie. Ik dacht: meestal hebben ze een bijrol, ze kunnen best gemist worden. Dat was lang voor die hausse van wortelzoekers. Inmiddels hoor ik steeds vaker over kinderen die op zoek gaan. Die taferelen bij Spoorloos, je kunt er alles over zeggen, maar niet dat ze onecht zijn. En dan heb je natuurlijk nog die professor Hoksbergen, die vindt dat ik geen onbekende donor zou moeten nemen, omdat het slecht is voor het kind. Ik besloot dezelfde donor te nemen om tegemoet te komen aan die ethische vraag. Ik dacht: als de kinderen ooit iets van hun andere genetische helft willen terugvinden, zichzelf willen herkennen, dan vinden ze het ontbrekende gedeelte bij elkaar.”

Kortstondige affaire

Dat kennis over biologisch ouderschap in het belang is van kinderen, daar is vrijwel iedereen het over eens. Maar wat als het kind jong is en de ouders ruziën over een DNA-test? Josephien Vogel van de landelijke Raad voor Kinderbescherming: “Als het kind twaalf jaar of ouder is, wordt het betrokken bij de kwestie. Het kan zelf aangeven of het de test wil of niet. Bij een klein kind ligt dat anders. Enerzijds proberen we de identiteit van zo'n kind te eerbiedigen, anderzijds denk ik dat een DNA-test niet altijd verstandig is. Hoe ervaren kinderen dat onzekere vaderschap, de bloedproef en de uitslag? Welke juridische en ethische kanten heeft zo'n test voor het kind? Er is geen onderzoek naar gedaan. En er is dus ook nog geen protocol. Nu nemen we per kind een beslissing.”

Zoals het geval van Sam (8), de zoon van Eva. Haar partner Bram had haar een kortstondige affaire vergeven. Toen Eva zwanger bleek, werd hij echter onzeker. Van wie verwachtte ze dat kind? Ze overtuigde Bram: het kind was beslist van hem. Toch liet ze de minnaar het kind erkennen.

Vanaf dat moment ging het bergafwaarts. De minnaar verdween uit zicht, Eva was alleen en kreeg last van angstaanvallen. In de moeilijke periodes woonde ze met Sam bij Bram. “Ik durfde niet meer aan te dringen op de waarheid”, zegt Bram. “Ze zei dat alleen god wist wie de vader was. Ik accepteerde het. Sam was dol op mij.”

Eva overleed aan een hersenbloeding. De minnaar van weleer dook weer op. En wat volgde was de strijd om het vaderschap, die ruim een jaar duurde. Voor de rechtbank eiste Bram een DNA-test. De minnaar was dan wel officieel vader, maar er waren ook aanwijzingen voor een eventueel vaderschap van Bram. De rechter twijfelde. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde: geen test. Dit kind had behoefte aan stabiliteit.

Ten slotte kreeg Bram zijn zin. Sams bloed werd met het zijne vergeleken op het CLB. De wachtperiode was niet eens spannend, zo zeker was hij van zijn zaak. Totdat hij de CLB-papieren in handen kreeg. Bram is, zwart op wit, niet de vader van Sam. “Het was of het licht uitging. Ik geef heel veel om Sam, ook al ben ik niet zijn vader. Als Salomon had kunnen beschikken over een DNA-test, dan had zijn oordeel er misschien heel anders uitgezien.”

Biologisch vaderschap geeft identiteit, zowel aan de vader als aan het kind. DNA is een magisch woord geworden, zegt Gerda de Lange van het CLB. Een blauwdruk van wie je bent. “Soms bellen mensen: er is een ziekte in de familie en ik heb een vaderschapsonderzoek gehad. Mag ik even de gegevens? Maar dat werkt niet, vaderschapstesten zeggen niets over erfelijke ziekten. Ze verschaffen uitsluitend informatie over biologische afstamming. En daaraan is steeds meer behoefte in de samenleving.”

Maar hoe komt dat? Omdat God definitief ruimte heeft gemaakt voor Darwin? De definitie van de mens lijkt teruggebracht tot zijn lichaam - en dus tot zijn biologische ouders. Vaderschapsonderzoek past naadloos bij de trend van het genetisch determinisme. “Belangrijke pijlers zijn vervaagd”, zegt ook Josephien Vogel van de Kinderbescherming. “Wie zichzelf wil definiëren, vindt weinig meer in de sociale omgeving. Dan val je al gauw terug op het essentiële. Dat is heel kaal: vader en moeder. Als vader ontbreekt, is de helft weg.”

De namen van Vera de Groot, Fred Koppejan, Bram, Eva en Sam zijn gefingeerd omdat ze niet met hun echte naam in de krant wilden. Het contact met de geïnterviewden kwam tot stand buiten het CLB om.