Het morele kapitaal van het Joods Wereldcongres

Voor het oude, joodse dametje in New York is de hele affaire niet een hoog opgelaaid, internationaal debat met pijnlijke diplomatieke gevolgen.

Voor haar is het een kwestie van hoe comfortabel haar oude dag is. Met moeite kan ze rondkomen van een karig pensioentje, vertelde ze toen ze laatst op de Amerikaanse televisie verscheen. Ze herinnert zich nog dat haar ouders, voor ze uit het getto van Warschau werden afgevoerd naar de vernietigingskampen, vertelden dat ze geld apart hadden gezet op een bankrekening in Zwitserland. Na de oorlog heeft ze wel geprobeerd dat geld te achterhalen, maar na een aantal jaren van vergeefse correspondentie gaf ze de moed op.

Dat geld, háár geld, zou ze nu goed kunnen gebruiken. En de opgeleefde belangstelling voor de kwestie heeft haar nieuwe hoop gegeven. Vijftig jaar oude brieven van haar en haar familieleden aan het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, die onlangs uit de stoffige dozen van het Nationale Archief in Washington tevoorschijn zijn gekomen, kunnen wellicht helpen bij nieuw onderzoek bij de Zwitserse banken.

Zo zijn er meer nabestaanden van Holocaust-slachtoffers die de affaire in de Amerikaanse media een menselijk gezicht hebben gegeven. Neem de welgestelde heer die het geld niet meer nodig heeft, maar voor wie de symbolische waarde zo groot is omdat hij verder niets meer van zijn ouders bezit. Als het geld ooit nog boven water komt, zal hij het waarschijnlijk meteen weer weggeven, vertelde hij de Amerikaanse televisiekijkers. Maar hij voelt het op zijn oude dag als een verplichting aan zijn ouders om het eerst te achterhalen.

Een groep van dergelijke nabestaanden van Holocaust-slachtoffers heeft in New York een proces tegen Zwitserse banken aangespannen, om opening van zaken en restitutie af te dwingen.

Het gaat, zegt directeur Elan Steinberg van het Joods Wereldcongres, “om letterlijk het laatste hoofdstuk van de Holocaust”. En met grote inzet worden de gegevens verzameld om dat hoofdstuk te schrijven.

Verstopt in een bos even ten noorden van Washington staat het glanzend nieuwe gebouw van de Nationale Archieven. In de smetteloze leeszaal werken onderzoekers zich dagelijks door grote stapels vergeelde diplomatieke telegrammen, overheidsrapporten en verslagen van militaire rechtbanken heen. Medewerkers van het Joods Wereldcongres, van het Holocaust Memorial Museum, van senator Alfonse D'Amato en studenten die zich als vrijwilligers bij hen hebben aangemeld. Maar er zijn ook ambtenaren van de Amerikaanse ministeries van Financiën en Buitenlandse Zaken, en zelfs vertegenwoordigers van Zwitserse banken.

Zwijgend zijn ze allemaal op zoek naar hetzelfde: documenten die opheldering kunnen verschaffen over de Zwitserse banktegoeden van joden die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Duitse concentratiekampen zijn omgebracht. Ook speuren ze naar aanwijzingen over het goud dat de Duitsers als oorlogsbuit hebben geroofd van joodse particulieren en uit de centrale banken van landen als Nederland, België, Polen en Tsjechoslowakije, waarna het werd ondergebracht in Zwitserse kluizen. Ze trachten te achterhalen wat er is gebeurd met sieraden en andere bezittingen die Amerikaanse militairen hebben geroofd - “want die waren niet anders dan soldaten van andere landen”, zegt een archivaris in Washington.

Zo nu en dan, en de laatste maanden bijna dagelijks, levert het geduldige speurwerk iets op en veroorzaakt een vondst, die in deze stille zaal wordt gedaan, een luide echo in de wereld van internationale media en politiek. D'Amato en het Joods Wereldcongres hebben het afgelopen jaar tientallen persberichten over 'nieuw ontdekte' documenten de wereld ingestuurd. De New-Yorkse senator heeft, als voorzitter van de commissie voor bankzaken in de Senaat, ook openbare hoorzittingen aan de kwestie gewijd. En de media aan beide zijden van de Atlantische Oceaan hebben met groeiende belangstelling over “de speurtocht naar het geroofde nazi-goud” bericht, en ook over de ernstige verlegenheid die er in Zwitserland over is ontstaan.

Soms was de informatie uit de Amerikaanse archieven al tientallen jaren bekend. En in grote lijnen hebben verschillende historische studies al verteld over de rol die de Zwitserse banken in de oorlog hebben gespeeld. Maar het Joods Wereldcongres, een van de grote gangmakers van het archiefonderzoek, is het niet alleen om grote lijnen te doen, maar ook om bijzonderheden en de concrete resultaten voor de nog levende nabestaanden.

Waarom de kwestie nu, meer dan vijftig jaar na het einde van de oorlog, opeens zoveel belangstelling en politiek gewicht krijgt, heeft velen in Zwitserland verbaasd. Maar directeur Steinberg van het Joods Wereldcongres (JWC) gelooft dat het grootscheepse gewetensonderzoek dat met de vijftigste verjaardag van het einde van de oorlog in Europa is losgekomen, een belangrijke rol heeft gespeeld. Bovendien wijst hij erop dat met de val van het communisme in Oost-Europa allerlei archieven zijn geopend, terwijl de Amerikanen nu de Koude Oorlog voorbij is minder beducht zijn om hun bondgenoten voor het hoofd te stoten. Maar het is vooral Steinbergs eigen organisatie die ervoor gezorgd heeft dat de zaak niet langer een historische voetnoot is. Het JWC, een federatie van organisaties in meer dan tachtig landen, met een hoofdkwartier in New York, is “de Verenigde Naties van het joodse volk”, aldus Steinberg. Het werd in 1936 (“ironisch genoeg in Genève”) opgericht uit angst voor het opkomende nazisme. Na de oorlog voerde de organisatie als eerste de onderhandelingen over herstelbetalingen aan joden, die later werden overgenomen door de staat Israel.

Net als de Verenigde Naties geniet het Joods Wereldcongres meer aanzien in de rest van de wereld dan in de Verenigde Staten, waar het maar een van de vele joodse lobby-organisaties is (naast The Anti-Defamation League, The American Jewish Congres, de American Israel Public Affairs Committee en een hele reeks van andere groeperingen) - en lang niet de invloedrijkste.

President en boegbeeld van het JWC is sinds 1979 de energieke drankmagnaat Edgar Bronfman sr. Hij kwam in 1995 met de toenmalige Zwitserse president Kaspar Villiger overeen, besloten onderhandelingen te voeren over de 'slapende bankrekeningen'. Maar toen die stille diplomatie stukliep zocht Bronfman in april vorig jaar hulp bij D'Amato, een politieke straatvechter die als senator van New York veel joodse kiezers in zijn achterban heeft en die de machtige positie heeft van voorzitter van de bankcommissie. En niet in de laatste plaats weet D'Amato als weinig anderen hoe hij met gepeperde uitspraken een zaak op de voorpagina's en in de televisiejournaals krijgt.

Bronfman, die als gul donateur aan beide politieke partijen in Washington een goede bekende is, wist ook de steun van president Clinton te verwerven. De president gaf zijn onderminister van Handel, Stuart Eizenstat, opdracht de Overeenkomst van Washington nog eens kritisch tegen het licht te houden. Dat is het compromis dat de Amerikanen en hun bondgenoten in 1946 met de Zwitsers bereikten over de teruggave van een grote hoeveelheid goudstaven uit Zwitserse bankkluizen.

Het JWC beschouwt die overeenkomst, waarbij de Geallieerden afzagen van verdere claims tegen Zwitserland, als verraad van de Amerikanen. Blijkens recent vrijgegeven documenten zouden de VS beseft moeten hebben dat de Duitsers veel meer goud (ter waarde van honderden miljoenen dollars) bij Zwitserse banken hadden gestald dan wat de Zwitsers uiteindelijk aan de Geallieerden overdroegen (de toenmalige waarde was 58 miljoen dollar).

Het Joods Wereldcongres mag tot nu toe erg succesvol zijn geweest bij zijn pogingen de wereld te doordringen van de ernst van de zaak, er is in de Verenigde Staten ook kritiek op de aanpak van de organisatie. De journalist J.J. Goldberg, deskundige op het gebied van joodse maatschappelijke organisaties en auteur van het onlangs verschenen boek Jewish Power; Inside the American Jewish Establishment, vreest dat het JWC zijn “morele kapitaal verspilt”.

“Het JWC heeft altijd veel bereikt door, met groot gevoel voor publiciteit, zorgvuldig een middenkoers te varen tussen confrontatie en onderhandeling. Maar nu gaat men te keer tegen een land dat neutraal was, omdat men ontdekt heeft dat het zaken deed met Duitsland. Natuurlijk deed het zaken met Duitsland! Zaken doen met beide partijen is toch precies wat neutraliteit betekent? Het kwaad wordt niet meer gesymboliseerd door het menselijk lijden, maar door bankrekeningen.

“In deze kwestie heeft het JWC zijn imago van een gekwetst slachtoffer verspeeld. Het hele conflict oogt als twee partijen die elkaar in de haren zitten over geld. En dat bevestigt natuurlijk weer allerlei vooroordelen over joden.”

Goldberg, die zes jaar in Israel heeft gewoond en zichzelf beschouwt als een traditionele, conservatieve jood, stelt dat het JWC indertijd met opzet voor een naam heeft gekozen die inspeelt op het oude vooroordeel over de internationale joodse samenzwering. “Daar ontlenen ze nog altijd veel invloed aan. Als Bronfman bij een staatshoofd op bezoek gaat denkt zo iemand al gauw: de hele joodse samenzwering staat achter die man, dus laat ik hem maar serieus nemen. Als je die vooroordelen uitspeelt om miljoenen joden vrij te krijgen uit de Sovjet-Unie, heb ik er geen bezwaar tegen. Maar als het gaat om bankrekeningen van vijftig jaar geleden, dan vind ik het dubieus.

“Ik sprak laatst met een overlevende van de Holocaust, die zijn leven lang verteld heeft over zijn levensgeschiedenis en de lessen die je daaruit kunt trekken. 'Door wat er nu gebeurt', zei hij bitter, 'zal men uiteindelijk zeggen: ze konden het niet vergeten want ze wilden hun geld terug'. Maar niemand spreekt dat soort twijfels in het openbaar uit, daarvoor ligt het allemaal veel te gevoelig.”