Heroïsche stommiteiten; Matthijs van Boxsel ontwikkelt theorie van de domheid

Met heldenmoed werkt Matthijs van Boxsel aan zijn Encyclopedie van de domheid. Over de noodzaak van mislukkingen en de blakende domheid van New Age. 'Fataal is de combinatie van domheid èn intelligentie.'

OP ZIJN OUDERWETS geleerde zolderetage, vier hoog in de Amsterdamse Van Baerlestraat, inspecteert Matthijs van Boxsel zijn kast met boeken over domheid. “Hier, Über die Dummheit van Hofrat Loewenfeld uit 1921. Of neem deze: A short Introduction to the History of Human Stupidity van Walter Pitkin uit 1935. Beiden zijn reactionaire, rancuneuze schrijvers. Ik ken ongeveer tweehonderd boeken over domheid, met de klemtoon op het begin van deze eeuw. De meeste vind ik in antiquariaten. Als je kijkt wat ze in essentie over domheid te zeggen hebben, kom je uit op ongeveer twintig definities. Die poog ik te vangen in één systeem.”

Van Boxsel is de vader van de Encyclopedie van de Domheid, een heroïsch project dat een overzicht moet geven van wat er in de loop van de geschiedenis over het begrip domheid is gepubliceerd. De kiem ligt in 1980, toen Van Boxsel als student de verzamelde werken van Robert Musil las en besloot van Nederlands over te stappen op Literatuurwetenschap. Van Boxsel: “Als laatste Musil-tekst stuitte ik op Über die Dummheit, een rede uit 1937, gehouden in Wenen. Voor het eerst besefte ik dat je serieus, dus niet grappig bedoeld, over domheid kan spreken.”

In 1983 studeerde Van Boxsel cum laude af op de domheid bij Kant en Musil. Sindsdien houdt hij zich als moroloog (domgeer) exclusief met zijn encyclopedie bezig. In 1986 verschenen in eigen beheer de eerste deeltjes, een inleiding en een vertaling van Musils domheidsrede. Twee jaar later volgde het essay Flaubert en de methodische domheid. Daarna was het lange tijd stil. Sinds 1995 publiceert Van Boxsel capita selecta uit zijn encyclopedie in het literaire tijdschrift De Revisor. Komend najaar verschijnt deel 4, uitgegeven bij Querido. Onderwerp is de topografie van de domheid, waarbij Nederlands domste stad Kampen heet te zijn.

Van Boxsel: “Eerst dacht ik dat het een makkelijk nummer zou worden, welke steden heten er dom en welke domdaden worden er aan die steden toegeschreven. Toen stelde ik mijzelf voor het eerst de vraag: waarom heet iemand eigenlijk dom? Ik opende een deur die beter nog even gesloten had kunnen blijven. De antwoorden die ik in de boeken aantrof bevielen me niet. Toen ben ik gaan zoeken naar een eigen antwoord en dat heeft me zeven jaar beziggehouden. Ik ben nu eenmaal een notoire betweter.

“Het onderwerp dwingt je bovendien voortdurend op je hoede te zijn, om alle mogelijkheden te overwegen. Iedereen staat klaar om je terecht te wijzen. Wie zich met domheid bezighoudt heet al snel arrogant. Maar goed beschouwd is de morosoof iemand die zichzelf voor de leeuwen werpt. Ook al zijn het vaak vermomde ezels.

“De Encyclopedie van de domheid betreft een megalomaan project. 'In de grootheid zijner dwaasheid zal hij verdwalen', zegt Spreuken 5:23. En als ik toch moet falen, dan liefst op een zo hoog mogelijk niveau. Ik streef ernaar een alomvattende theorie over de domheid te ontwikkelen die valt samen te vatten op een A4-tje. Centraal staat de uitspraak: geen mens is intelligent genoeg om zijn eigen domheid te begrijpen. Dat is opnieuw een verwijzing naar de bijbel: 'De wijsheid van de mens is God een dwaasheid.' Alleen de mystici, de narren in Christus, kunnen volgens Erasmus buiten hun intelligentie treden om er de domheid van te bepalen. En je weet welk vreselijk lot hen wacht. ”

Wat is domheid?

“Domheid is geen zintuiglijk of intellectueel gebrek maar een eigenschap. Het schuilt in het denkproces zelf. Domheid kent een flinke dosis illusie, waan of fantasme. Dit gecombineerd met een rigiditeit en een neiging tot automatismen, die de domoor aan eenmaal ingenomen standpunten doen vastklampen, plus het gegeven dat je je per definitie niet van je domheid bewust bent. Werp deze eigenschappen - illusie, automatisme, onwetendheid - bij elkaar en je komt aardig in de buurt van een definitie.

“Domheid werkt alleen ongezien. Iemand die zich bewust is van zijn domheid, die zal wel laten zijn domheid te begaan - tenzij hij een humorist is. Pas achteraf kun je zien dat je een domheid hebt begaan. Iemand kan je erop wijzen, of je merkt het aan de consequenties. Domheid is niet zozeer een dwaling, maar veeleer het volharden in een dwaling. Bepaalde bekrompen denkschema's die ons eerst verder helpen, kunnen zich op den duur tegen je keren - de omslag vindt plaats op het domheidspunt. Domheid en intelligentie zijn geen tegenpolen. Domheid staat tegenover ondomheid, intelligentie tegenover onintelligentie. Fataal is de combinatie van domheid èn intelligentie, dan zijn de gevolgen van domheid pas echt rampzalig.”

Hoe verhoudt domheid zich tot intelligentie?

“Het verschil tussen domheid en intelligentie word je vooral duidelijk als je de combinatie ziet. Neem Iman Wilkens, die heeft een boek geschreven, Waar eens Troje lag, waarin hij stelt dat de Odyssee en de Ilias zich hebben afgespeeld ergens tussen Zeeland en Engeland. Delft is eigenlijk Delphi, Vlissingen is Ulyssinge. De tragiek van de man is dat hij om deze fantasmatische, volstrekt ridicule kern een enorm systeem van kennis heeft ontwikkeld, die man is een wandelende encyclopedie. De vraag is of Wilkens die kennis ooit had verzameld als hij niet geobsedeerd was door die idiote premisse. In feite is hij een leerzame karikatuur van een wetenschapper. De astrologen baanden de weg voor de astronomie, de alchemisten zochten naar de Steen der Wijzen en wat het opleverde waren laboratoriumkolven en retorten. Intelligentie is niets anders dan een reeks min of meer mislukte pogingen om in het reine te komen met een bepaalde ongrijpbare kern, met een immanent obstakel.”

Zonder mislukking geen vooruitgang?

“Door schade en schande word je wijs. Een beetje creatieve geest máákt nu eenmaal fouten, dat is wezenlijk, anders had je net zo goed een machine aan het werk kunnen zetten. Een machine zal nooit eens prachtig creatief blunderen. Je kunt tasten naar een hypothetische wijsheid die je veronderstelt in de verte, je grijpt ernaar, je tast mis, en terwijl die eerste wijsheid wellicht helemaal niet bestond vind je als product van je falen een tweede wijsheid die wél bestaat. Dat impliceert dat wijsheid in de kern van de zaak een domheid is, het berust op een litteken, op een falen, op een ramp.

“Iedere mislukking maakt je duidelijk dat er een omweg nodig is om te komen tot kennis. Neem de Engelsman die op zoek ging naar een eiland in de Zuidzee maar als gevolg van een fout in de koersberekening terugkwam in Engeland - een verhaal van Chesterton. Zo iemand ziet Engeland in tweeën gesplitst: het vertrouwde Engeland en een exotisch Engeland. Een goede wetenschapper ziet zijn object exotisch. En dat exotische object ziet hij alleen na een mislukking, na een omweg, na een fout in de koersberekening.”

In wetenschappelijke publicaties worden mislukkingen meestal onder het tapijt geveegd.

“Dat is stompzinnig. Van die uitglijders leer je dat wetenschap niet van een leien dakje gaat, dat je ontzaglijk veel onzinnig, nutteloos en vruchteloos werk moet verrichten om ergens te komen - als je al ergens komt. Dit heroische aandeel van het falen wordt verdonkeremaand. Onze cultuur is ingericht op succes. Wie faalt moet gekort.

Mogen we nog wel lachen om pseudo-wetenschap?

“Jazeker, als maar ik wil niemand uitlachen. De dogmatische ernst van iemand als Rudy Kousbroek, die het rood voor de ogen krijgt zodra hij pseudo-wetenschappers op zijn weg vindt, is mij vreemd. Het gaat mij om hun feestelijkheid, om het maximum aan ernst die de domoor inzet om een minimaal ernstig probleem de wereld uit te helpen. Ik heb waardering voor de vindingrijkheid en wilskracht van mensen die een enorm begrippenapparaat loslaten op een volstrekt futiel iets. Mensen die wereldvredeswiskunde bedrijven, de structuur van zonsondergangen in kaart brengen, of de Zondvloed traceren. Zij leren ons iets over de domheden die ieder mens geneigd is te begaan.”

Wat is de verhouding tussen New Age en domheid?

“Dat is domheid in de meest spectaculaire zin. New Age is er op uit zichzelf te bevestigen, is bereid tegenstellingen glad te strijken op grond van de krankzinnigste - op zichzelf intelligent gevonden - analogieredeneringen. Ze zijn in de kloof gesprongen tussen het dagelijks leven en de ontoegankelijke wetenschap, de kloof die de alfa's en bèta's verzuimd hebben te dichten. New Age-denken leidt tot regressie, tot inertie, tot stagnatie. Waar in de wetenschap iedere vorm van eenheidsdenken voortdurend onderuit wordt gehaald, doet New Age precies het tegenovergestelde. Het is blakende domheid. Iemand die tegelijk aan massage doet én aan iriscopie én aan relativiteitstheorie, dat is goed mis. Dat is alsof je naar een tekenfilm van Tom and Jerry zit te kijken, een aaneenschakeling van krankzinnigheden. En opnieuw geen enkele aandacht voor het aandeel van de domheid in hun speurtochten naar wijsheid, voor een nuttige rol van wat zij afdoen met 'negatieve energie'.”

Wanneer is de encyclopedie af?

“Mijn onderzoek valt in twee delen uiteen. In de eerste plaats doet de encyclopedie studie naar het woord, het verschijnsel en de theorie van de domheid. Dat is een kwestie van vlijt. Ik verzamel alle allegorische voorstellingen van de domheid, spreekwoordelijk domme steden in de wereld, alles over het domme blondje, enzovoort. Ik heb geen flauw idee over de uiteindelijke omvang. Ook weet ik niet hoe lang dit nog zal duren. Ik laat me sturen door het plezier in het onderdeel dat ik op een bepaald moment onder handen neem. Anderzijds ontwikkel ik een theorie die direct en indirect de domheden van ons denken aan het licht hoopt te brengen. Om de kost te verdienen hou ik intussen lezingen, ik ben geliefd bij het bedrijfsleven, tot mijn stomme verbazing. Men reageert verbijsterd en is zwaar geïntimideerd. Kritiek uit de zaal houdt me scherp.

“Als ik voortijdig overlijd, laat ik een gigantisch pak van Sjaalman achter: een vreemdsoortige bibliotheek, een krankzinnige verzameling plaatjes en een ontzagwekkende hoeveelheid fiches. Op de een of andere manier heb ik altijd gedroomd dat ik zelf zo'n kist zou vinden.”

Kerkvaders en schedelmeters

In 1999 organiseert de Rijksuniversiteit Groningen in samenwerking met Matthijs van Boxsel een lustrumtentoonstelling over domheid. Getoond wordt wat er in de loop van de tijd allemaal door kerkvaders, filosofen, schedelmeters, IQ-fanaten en frenologen over domheid is gepubliceerd en wat pre- en protowetenschappen als astrologie, alchemie en theologie ons hebben opgeleverd.

Om de cruciale rol van mislukkingen in iedere vorm van ontwikkeling te benadrukken, is er, naast de mooie fouten en mislukkingen van serieuze wetenschappers, ruim aandacht voor dwaalleren. Graag zou Matthijs van Boxsel in contact treden met Nederlandse anti-copernici, kwadrateurs van de cirkel, perpetuum mobilisten, zwaartekrachttheoretici en andere wetenschappers-fantasten. Voorwaarde is dat hun theorieën op de een of andere manier zijn gepubliceerd. Adres: Barlaeusstraat 63 IV, 1071 AR Amsterdam.