Gewelddadigheid als onontkoombaar kwaad

Het kwaad in de mens. Zondag, Ned.3, 21.30-0.04u.

In een drie uur durend themaprogramma probeert de VPRO-televisie morgenavond een verklaring te vinden voor de gewelddadigheid in de mens: waar komt het vandaan, hoe wordt het aangewakkerd en ligt het in de genen besloten? De mens is voorbestemd gewelddadig te zijn, die conclusie kan worden getrokken uit het ambitieuze programma Het kwaad in de mens van Rob van Hattum en Wim Schepens. De programmamakers spraken met wetenschappers, onderzoekers en kunstenaars en beschouwden de problematiek ondermeer op haar historische, psychologische, filosofische, fysiologische en ethologische merites, met een interessant resultaat.

Van de elf geraadpleegde geweldvorsers komen er drie door het hele programma heen aan het woord: de Amerikaanse bioloog Howard Bloom, de psycholoog Nico Frijda en de Israelische militair historicus Martin van Creveld. Bloom, getroffen door de ziekte ME (Myalgische Encefalomyopathie, ofwel chronisch vermoeidheidsyndroom) zet, liggend op een bed temidden van lege medicijnflesjes en -ampullen, zijn geweldstheorieën uiteen. Geweld zit zo diep in de mens verscholen, meent Bloom, dat zijn existentie erdoor is bepaald. Destructie en natuur houden direct met elkaar verband; de natuur kent geen moreel oordeel, agressie is evolutionair noodzakelijk.

De aanvankelijk aarzelend sprekende Frijda (“Ik snap niks van geweld”) ontwikkelt gedurende de uitzending steeds pregnanter ideeën over het onderwerp. Volgens Frijda is niet het individu gewelddadig, maar wordt die gewelddadigheid gemobiliseerd door idealen en ideologieën. Geweld schept vrijheid, betoogt Frijda, want niet alleen tegenover de samenleving wordt een grens overschreden, ook overstijgt de geweldpleger zijn eigen afkeer en belemmeringen. Geweld is voor de aanstichters het middel bij uitstek om macht te consolideren, voegt Van Creveld daar aan toe. Dat het grotendeels mannen zijn die geweld plegen, verklaart Van Creveld uit de compensatie die deze 'beklagenswaardige sekse' moet leveren voor het feit dat zij niet de voortplanting bepaalt.

De makers van Het kwaad in de mens brachten een bezoek aan bioloog en etholoog Frans de Waal, die eerder uitvoerig op de VPRO-tv aan het woord kwam in de geheugenserie van Wim Kayzer. Nu is De Waal te zien bij zijn chimpansee-kolonie; theorie en praktijk worden zo op aanschouwelijke wijze vervlochten. Moord, sadisme en agressie, de eigen soort aangedaan, is niet voorbehouden aan de mens, zoals lang is aangenomen. Ook in de apenwereld komt het voor, stelt de onderzoeker, zij het op aanzienlijk kleinere schaal. Antropologen schreven wel liefdevol over vredelievende stammen, merkt hij op, maar die leefden niet voor niets diep verscholen in het oerwoud, om van lieverlede onder druk van agressiever stammen weg te kwijnen.

Een fascinerende bijdrage levert de Amerikaanse paleopatholoog Philip Walker, die skeletten en schedels uit verscheidene werelddelen onderzocht op verwondingen en doodsoorzaken. Hij bracht in kaart hoe de wijze waarop mensen elkaar slaan, mutileren of vermoorden zowel cultureel, historisch als geografisch is bepaald. Zo blijkt de vuistslag in het gezicht pas in zwang te zijn geraakt na de popularisering van de bokssport.

De periodiek oplaaiende discussie met als inzet of het zien van geweld in films en op televisie ook geweld veroorzaakt, komt in het programma ook aan bod. De psycholoog Oene Wiegman concludeerde na uitgebreid onderzoek, stelliger dan menig collega in dit vakgebied, dat het bekijken van agressieve films de kijker wel degelijk tot agressie kan aanzetten. “Slechte beelden maken slechte mensen” betoogt Wiegman aan de hand van zijn onderzoek met kinderen die aantoonbaar agressiever werden van geweldsfilms dan van neutraal materiaal. Zeker wanneer op televisie iets wordt vertoond dat nauw aansluit bij de belevingswereld van de kijker, concludeerde Wiegman, is de imitatiekans groot.

Vooral als gewelddadigheid wordt gerelativeerd of met humor wordt gepresenteerd, verlaagt de barrière om het na te doen. Wiegman noemde als voorbeeld een uitzending in december van Paul de Leeuw, waarin de komiek kirrend van de lach met vuurwerk een panklare kerstkalkoen tot ontploffing bracht. In de dagen na de uitzending vonden verscheidene gevallen plaats van eenden die levend met rotjes waren opgeblazen. Wiegman (“Het voorbeeld kan milder zijn dan de daad erna”) toont zich dan ook een voorstander van een door de overheid opgelegde beperking van geweld op tv, daarbij verwijzend naar de toename van geweldsdelicten onder jongeren. “Als het idee er niet is, gebeurt het ook niet”, bevestigt Nico Frijda. Hij gelooft niet in de theorie van het geweld dat in ieder mens wortelt en er hoe dan ook uit moet. Er is volgens hem veel te zeggen voor een isolatie van het geweld in de amusementscultuur, desnoods met behulp van de 'violence-chip'.

Als de agressie dan nog niet is te beteugelen, zou de 'anti-agressiepil' dan soelaas kunnen bieden? Die vraag wordt in het programma bevestigend beantwoord door Berend Olivier, psychopharmacoloog bij Solvay Duphar. Dit pharmaceutische bedrijf investeerde 200 miljoen gulden in die pil, maar blies het onderzoek af nadat de Amerikaanse markt moest worden uitgesloten omdat agressie daar niet als 'ziekte' bleek te worden beschouwd. Misschien hebben zij, dacht ik na het zien van het programma, daarin ook wel gelijk. Het individu, zo blijkt, is gemakkelijk tot gewelddadigheid aan te zetten, zolang de 'vijand' maar wordt 'ontmenselijkt' of als minderwaardig schepsel wordt afgeschilderd. En een samenleving heeft er evenmin moeite mee. Zoals Van Creveld op zeker moment opmerkt: een situatie van vrede is niet denkbaar zonder dat daar gewelddadigheid aan vooraf gaat.