Geen cultuurbeleid zonder culturele identiteit

“Een spin zonder web / is een radeloze wandelaar”, citeert A. Nuis bij wijze van motto de dichter D. Hillenius in zijn 'Uitgangspunten voor cultuurbeleid'. Een beter motto voor de herijking van het buitenlandse cultuurbeleid is nauwelijks denkbaar, vindt Ludo Beheydt. Het geeft perfect aan hoe die herijking op dit moment bezig is - als een radeloze wandeling - én wat eraan schort - een web.

Het besef dat de eenheidsstaat Europa een hersenschim is die steeds meer op een nachtmerrie begint te lijken op het moment dat Nederland het voorzitterschap van de Europese Unie mag overnemen, heeft Nederland haastig tot een herijking van het buitenlandse beleid gedreven.

In die herijking moet ook het internationale cultuurbeleid een nieuw gezicht krijgen. Daar is men druk mee bezig. Druk, maar ook warrig, verdeeld, bevlogen en onwennig. Filosoferend over uitgangspunten, polemiserend over cultuur als instrument in de buitenlandse betrekkingen en discussiërend over 'cultuur buiten de muur', komt langzamerhand het openbaar debat op gang. De betrokken partijen hebben de handen vol aan de terreinafbakening. De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, de Raad voor de Kunst, Buitenlandse Zaken en de Nederlandse Taalunie zijn nog steeds opzoek naar consensus.

Consensus ontbreekt op het vlak van de inhoud. Eenstemmigheid omtrent het te hanteren cultuurbegrip is er niet. Nog steeds zijn de geesten verdeeld tussen degenen die de enge Hegeliaanse cultuurdefinitie wensen aan te houden en degenen die de brede antropologische interpretatie van cultuur hanteren, zoals die in Nederland door P.J. Bouman is geponeerd.

VVD-leider Bolkestein bijvoorbeeld wil cultuur in heel strikte zin beperken tot het “geheel van kunstzinnige uitingen, die in ons land worden voortgebracht”. “Wat mij betreft”, schreef hij in de Volkskrant van 10 oktober 1995, “had 'internationaal cultuurbeleid' ook 'internationaal kunstbeleid' mogen heten.”

Daartegenover staan degenen die, zoals Maarten Mourik (NRC Handelsblad, 24 december), voormalig ambassadeur bij de Unesco, het antropologische cultuurbegrip hanteren en cultuur zien als de totale levensstijl van een cultuurgemeenschap, inclusief “ons milieubeleid, ons drugsbeleid, ons euthanasiebeleid, ons emancipatiebeleid”.

Als men het over de inhoud van het begrip 'cultuur' niet eens is, wordt het natuurlijk moeilijk om een beleid uit te stippelen. Dat merkt men ook aan de cultuurnota van staatssecretaris Nuis, waarin impliciet van de enge definitie wordt uitgegaan. In zijn uitgangspunten voor beleid probeert hij uit dit enge keurslijf te komen door jongerenmuziek en nieuwe media aan te halen als activiteiten “buiten het reeds vertrouwde deelterrein” die niettemin stimulering verdienen.

Maar hij durft het toch niet aan resoluut voor een breed cultuurbegrip te kiezen. Dat is een gemiste kans, want wat Nederland in het buitenland nog steeds ontbeert is een eigen gestalte, een herkenbaarheid als culturele gemeenschap. Als Frankrijk en Duitsland dankzij een bredere cultuurcampagne beter kennis konden nemen van de Nederlandse mentaliteit, van de Nederlandse cultuur in brede zin, dan zou Nederland daar zeker baat bij hebben, zowel economisch als politiek. Het dovemansgesprek dat nu de betrekkingen met deze beide landen typeert, kan pas in een echte dialoog veranderen als Nederland ook als een volwaardige cultuurgemeenschap herkenbaar wordt.

En daar zit meteen een tweede probleem: dat van het web. Nederland heeft geen web, of beter: weigert zich een web te weven. Het is al eerder gezegd : het eigene van de Nederlandse culturele identiteit is de ontkenning van die culturele identiteit. En internationaal is dat fout.

Nuis komt graag met het beeld van Nederland als vrijhaven van ideeën, als een draaischijf van culturen. Trouw aan het beeld van Nederland als verkeersknooppunt en internationale handelsmarkt, wil hij Nederland het imago aanmeten van culturele wisselmarkt. Alsof de rest van de wereld op Nederland zit te wachten, alsof je de wereld een vrijhaven kunt opdringen. Mij lijkt een dergelijke cultuurpolitiek typisch een uiting van culturele zelfverloochening.

Wie denkt zelf niets te bieden te hebben, stelt zijn huis open voor anderen die wel wat te bieden hebben. Maar met je huis alleen krijg je geen erkenning. De waardering voor het huis hangt af van het karakter dat het huis heeft. Om erkenning te krijgen moet het herkenbaar zijn. En dat is een probleem, want in Nederland lijkt er wel een taboe te liggen op het culturele zelfbewustzijn.

Er is in Nederland zeer weinig eerbied voor, laat staan fierheid over het eigen culturele patrimonium. Dat blijkt telkens weer. Nederlandse hoogleraren bijvoorbeeld doen hun best om het belang van de eigen taal te ontkennen. C. de Bot, H. van den Bergh vinden het helemaal niet betreurenswaardig als het Nederlands als cultuurtaal zou verdwijnen. En minister Ritzen stelde voor het hoger onderwijs gedeeltelijk te verengelsen.

Ook in de literatuur is men kopschuw van Nederlandse eigenheid. Net nu het buitenland de Nederlandse literatuur ontdekt, betwijfelt prof. J. Leerssen of het nog wel zinvol is van 'Nederlandse literatuur' te spreken en voorspelt ons boegbeeld van de Nederlandse literatuur H. Mulisch het einde ervan.

Op het gebied van de schone kunsten is het al niet beter. Daar waar het buitenland (S. Schama of S. Alpers) probleemloos de zeventiende-eeuwse Hollandse schilderkunst als Nederlands herkent, doen eigen kunsthistorici als E. de Jongh alle moeite om aan te tonen dat die kunst helemaal niet zo Nederlands is. Buitenlanders die te veel de nadrukleggen op het 'Nederlandse' van de Nederlandse cultuur worden zelfs terechtgewezen.

W. Frijhoff - niet voor niets de auteur van 'Het einde van Nederland' - kapittelt S. Schama in niet mis te verstane bewoordingen: “Schama's syntheses zijn die van een buitenlander die niet gehinderd wordt door de ballast van verantwoordelijkheid jegens het eigen erfgoed of worsteling met een persoonlijk of collectief verleden. Dat geeft hem de mogelijkheid spannende boeken te schrijven die schoten voor de boeg geven zonder zich om de gevolgen van lekkage te hoeven bekommeren.”

Of deze culturele zelfverachting het juiste uitgangspunt is voor internationaal cultuurbeleid, is zeer de vraag. Om internationaal mee te tellen moet een cultuur een herkenbare eigenheid hebben. Nederland zou beslist gebaat zijn met een hechtere ondersteuning van zijn eigenheid. Het jammere is dat het ontbreken van een scherpe profilering van de cultuur naar buiten het Nederlandbeeld versmald heeft tot dat van funeste 'narco-staat' of twijfelachtige 'euthanasieplek'.

Om van dit beeld af te geraken zal Nederland eerst binnenslands moeten werken aan zijn cultuurbeleid. In plaats van met voorstellen op de proppen te komen om de Nederlandse literatuur uit het vak Nederlands te weren (Netelenbos), zou er in het onderwijs juist meer aandacht moeten komen voor het culturele patrimonium. Hoe wil men aan internationaal cultuurbeleiddoen als in het onderwijs de eigen cultuur verwaarloosd wordt? De superieure nonchalance waarmee de eigen cultuur in Nederland bejegend wordt, roept overigens geen waardering op in het buitenland, maar alleen onbegrip, meewarigheid of spot.

Het argument dat Nederland een multiculturele natie is, waar ruimte is voor alle culturen, verbergt al te vaak alleen een gebrek aan geloof in en vertrouwdheid met de eigen cultuur. De andere culturen in de Nederlandse samenleving hebben er alle belang bij dat Nederland een herkenbaar beeld geeft van de eigen cultuur. Multiculturaliteit tendeert naar chaos en gettovorming als de dominante cultuur geen referentiekader biedt waartegenover de minderheidsculturen zich kunnen positioneren en waarmee ze zinvol kunnen 'interageren'. Tolerantie mag niet leiden tot het miskennen of wegcijferen van de eigen cultuur. Om het met een variant op het Franse spreekwoord te zeggen: “Du choc des cultures jaillit la civilisation.”

Als Nederland zich in het buitenland profileert als een cultuurgemeenschapmet een eigen taal, dan hoeft het niet bang te zijn voor het spookbeeld van het nationalisme. Er is een schitterende mogelijkheid om onder eng nationalisme uit te komen en toch cultureel naar buiten te treden met Nederlandse literatuur, Nederlands toneel, Nederlandse dans, Nederlandsekunst. Het is daarvoor voldoende de term Nederlands in zijn taalkundige interpretatie te hanteren en samen met Vlaanderen de Cultuur der Nederlanden als een 'beeldmerk' te promoten.

Met Vlaanderen heeft Nederland de taal gemeen en daarmee het zingevingssysteem van de cultuur bij uitstek. Maar dat vergt een oriëntering in het buitenlands cultuurbeleid die tot nog toe te weinig prioriteit gekregen heeft. Niet in het Vlaamse beleid én niet in het Nederlandse.

Nu we eindelijk over een cultureel akkoord beschikken, is het wellicht hét moment om gezamenlijk de Cultuur der Nederlanden in het buitenland een gezicht te geven. Daarbij kan een beroep gedaan op de medewerking van de talrijke docenten neerlandistiek uit Nederland en Vlaanderen, die nu al overal in de wereld als ambassadeurs van de Cultuur der Nederlanden fungeren.

En in plaats van die potentiële plaatselijke steun hautain als “onprofessioneel” af te wijzen, zoals nog onlangs Frank Ligtvoet van de Ambassaderaad voor Culturele Zaken in New York deed op de conferentie 'Cultuur buiten de muur', zou men ruimer steun moeten geven aan deze culturele ambassadeurs. De Internationale Vereniging voor Neerlandistiek, die deze docenten onder haar hoede heeft, zou juist als medeplichtige in het buitenlands cultuurbeleid moeten worden betrokken, zowel door Vlaanderen als door Nederland. Als Buitenlandse Zaken en de Nederlandse Taalunie nu eens samen aan dit 'web' begonnen?