Feyenoord: hand in hand, amigos

Het aantal buitenlandse voetballers dat onder contract staat bij Nederlandse clubs heeft inmiddels de honderd bereikt. En dat zullen er nóg meer worden. Een club als Feyenoord heeft vijftien buitenlanders in huis. Kunnen de supporters zich nog wel vereenzelvigen met een elftal vol vreemdelingen?

“Zo lang het maar geen pleuris-Amsterdammer is, vind ik alles best”, zegt een trouwe Feyenoord-supporter die al 25 jaar wedstrijden en trainingen van zijn club bezoekt. “Als Feyenoord zo'n gek als Kluivert zou kopen, ben ik weg. Dan zet ik hier geen stap meer. Toen die Witschge oprotte, heb ik staan juichen. Ajacieden horen hier niet. Voor de rest maakt het me echt niets uit. Al komt iemand uit Timboektoe, als hij lekker kan voetballen is hij van harte welkom.”

“De mensen hebben liever een goede Argentijn dan een slechte Rotterdammer”, stelt senior manager Fred Blankemeijer vast. Maar zijn al die buitenlanders inderdaad wel een aanwinst voor Feyenoord? Daarvan zijn de supporters nog lang niet overtuigd. Ja, de Zweed Larsson is een kanjer, maar die kan bijna als Nederlander worden beschouwd. De Argentijnse verdediger Graff vinden ze een goede aankoop, de jolige Belg Claeys is een aardige gozer en de Pool Dudek kan heel behoorlijk keepen. Maar over de rest, zelfs over Pablo Sánchez - als middenvelder toch al goed voor zes doelpunten - is er gerede twijfel. “Hebben we dichter in de buurt nou echt niets beters lopen?”

Bij de training zijn de ogen van de groep trouwe bezoekers nu vooral gericht op de twee nieuwste aanwinsten, de Uruguaanse verdediger Fernando Picun en de Argentijnse spits Eduardo Bustos Montoya. De supporters zijn voorlopig sceptisch. “Het lijkt wel een asielzoekerscentrum, hiero.” Ze vinden vijftien buitenlanders een beetje te veel van het goede. Zo is Feyenoord Feyenoord niet meer. “We hebben niets tegen buitenlanders, maar we zijn wel zo chauvinistisch als de pest”, zegt Willem Veenman, voorzitter van de supportersvereniging (25.000 leden). “Dus zien we toch liever elf Nederlanders op het veld.”

Nu lijkt het wel de omgekeerde wereld bij Feyenoord. Trainer Haan en algemeen manager Hagelstein zitten op Spaanse les om de Zuidamerikaanse voetballers te kunnen verstaan. “Maar zij spelen toch niet mee?”, reageert een norse dertiger aan de rand van het trainingsveld. “Het gaat om die jongens daar. Die moeten met die gasten voetballen. Laat die Argentijnen dus lekker Nederlands leren. Ze voeren de hele dag geen tering uit, twee keer anderhalf uur trainen, klaar. Wat een luizenbaan! Dan kunnen ze voor die berg geld die ze verdienen tussendoor best een lesje volgen. Hebben ze al les? Nou, ik heb ze nog nooit Nederlands horen praten. Ja, goedemorgen, dat is alles.”

Er worden ook volop grappen gemaakt over de invasie uit Zuid-Amerika. Het roemruchte clublied moet nu ook maar worden aangepast, vinden de fans. Hand in hand, amigos.

Het Feyenoord-legioen stelt traditioneel hoge eisen aan een speler. Hij moet niet alleen goed tegen een bal kunnen trappen, hij mag ook niet te veel kapsones hebben én bereid zijn zich in het heilige rood-witte shirt het apenzuur te werken. Wie daaraan voldoet, kan aardig gedijen in De Kuip. En dan maakt het niet uit of hij een buitenlander is. Het beste voorbeeld is Jozsef Kiprich, de flegmatieke Hongaar, die mateloos populair was onder de aanhang en voor wie de supporters zelfs - tevergeefs - een actie op touw zetten om hem uit Cyprus terug te halen. “Er loopt geen nieuwe Jozsef tussen”, wijst een fan naar de trainende selectie.

Manager Blankemeijer, al 57 jaar Feyenoorder, herinnert aan de tijd, nog niet zo lang geleden, dat er soms meer donkere dan blanke spelers in het elftal stonden. “Daar werden toch ook geen vragen over gesteld? Oké, dat waren Nederlanders, in hun paspoort dan, want de cultuurverschillen waren toen groter dan nu. Ik bedoel maar. Het maakt toch niet uit waar de spelers vandaan komen. Het draait allemaal om dat shirt, het Feyenoord-shirt.”

Coen Moulijn, de Rotterdamse voetbalheld van weleer, weet als geen ander hoe de supporters in elkaar steken. “Ze accepteren iemand niet zo maar en kijken eerst de kat uit de boom.” De gouden linksbuiten maakte in 1965 mee dat de eerste buitenlander, de Zweed Harry Bild, zich in De Kuip aandiende. “Iedereen was sceptisch, wij als medespelers ook. Maar je zag al snel dat hij goed kon voetballen. Toch is Bild bij het publiek nooit zo populair geworden als Kindvall.”

Het legioen kan een speler breken. Dat is in het verleden regelmatig gebleken. Een speler als René Hofman, overgekomen van Roda JC, zat voor thuiswedstrijden trillend van de zenuwen in de kleedkamer. “Je moet mentaal sterk zijn om het hier te kunnen uithouden”, zegt Moulijn, die nog elke thuiswedstrijd van Feyenoord bezoekt. Henk Vos zag het een paar maanden geleden helemaal niet meer zitten bij Feyenoord. De Brabander, die in de wedstrijden hele goede met hele knullige momenten afwisselt, kreeg zelfs een klap in zijn gezicht van een boze supporter en werd al vaak tijdens het warmlopen uitgescholden. In zo'n situatie is een buitenlandse speler eigenlijk in het voordeel ten opzichte van een Nederlander. Want hij begrijpt toch niet alles wat er van de tribune wordt geroepen.

Momenteel houden de fans zich koest. Alles draait om de resultaten en Feyenoord staat wel tweede, een plek die aan het einde van seizoen recht geeft op deelname aan de lucratieve Champions League. Toch ziet supportersleider Veenman het legioen slinken, niet alarmerend snel, maar het slinkt. Het heeft met de de houding van een aantal spelers te maken, vermoedt hij. ,Sommigen hebben een partij kapsones, niet normaal meer. Die komen met zo'n grote kluts van verveling naar een supportersavond. Ik erger me er mateloos aan. Nou, daar moet je in Rotterdam niet mee aankomen, ze hakken echt je kop eraf. Wat dat betreft heb ik over die Argentijnen, Graff en Sanchez, geen klagen. Die vinden zo'n avond prachtig.''

“We vervreemden van onze club”, vervolgt Veenman. “Feyenoord is van het volk, maar de mensen voelen zich beetgenomen. Er zijn beloften gedaan over spelers waarvan het water ons uit de bek liep. Maar als je die niet kan waarmaken, kan je beter je kop houden. Als je maar honderd gulden hebt uit te geven, zegt dat dan. Van den Herik is nog steeds een wereldvoorzitter, maar ik heb hem wel gewaarschuwd.” Blankemeijer: “Het is simpel. De grote jongens zijn onbetaalbaar. De voorzitter heeft met de gebroeders De Nooijer gepraat. Als je hoorde wat die wilden verdienen, dat was te gek. Dat kon niet.”

Jorien van den Herik zou ook het liefst een ploeg met elf Rotterdammers, of in ieder geval elf Nederlanders willen hebben. Maar ze zijn te duur of gewoon niet voorradig. Veel clubs uit ere- en eerste divisie kampen met hetzelfde probleem. Dus zijn ze over de grens gaan kijken. Sinds het Bosman-arrest mag er een onbeperkt aantal buitenlanders per club worden gecontracteerd. Het zijn er inmiddels in totaal honderd - afkomstig uit veertig verschillende landen. Dat is zo'n vijftien procent van het hele Nederlandse profarsenaal.

Zelfs bij clubs die vroeger voornamelijk uit eigen regio of dorp putten, zoals Heerenveen en Volendam, lopen ze rond. In het vissersdorp was de donkere Portugese spits Walter Ferreira ooit een attractie, maar tegenwoordig is het heel normaal dat er buitenlanders meevoetballen. Vier hebben ze er nu. Maar een elftal zonder een belangrijk deel aan eigen kweek zou in Volendam niet kunnen. Dat zouden de fans nooit pikken. Ze staan er bekend om nog veel kritischer te zijn dan de Feyenoorders. De honderd elftallen van de amateurafdeling moeten er garant voor staan dat er altijd talentvolle Volendammers zullen doorbreken.

In Heerenveen kent de selectie meer buitenlanders dan Friezen. Vaak staat er zelfs niet één Fries in het elftal. Dat vinden ze daar jammer, maar een groot probleem is het ook weer niet. “We zijn hier nu eenmaal met maar een paar mensen. Het is een dun bevolkte provincie”, schetst kapper Douwe Velstra, voorzitter van de supportersclub, de situatie. “Daarom moeten we altijd alles van buiten halen. Of het nou om werknemers voor een fabriek gaat, of om spelers voor de voetbalclub. En dan maakt het niet uit of ze uit Brabant, IJsland of China komen. Wij zijn gastvrij. Kom maar binnen. We kennen hier geen discriminatie.”

Heerenveen-voorzitter Riemer van der Velde: “Na Abe Lenstra is Rodion Camataru, een Roemeen, de populairste speler die hier heeft gespeeld. Hij is bijna onsterfelijk.” Er zijn nooit problemen met de buitenlanders. Ze tonen respect voor Friesland en de Friezen. Velstra: “Als voor een wedstrijd het Friese volkslied wordt gespeeld, staan ze stijf. Ze doen er zelfs hun mond bij open. Ik denk ook weer niet dat ze de woorden kennen. Volgens mij is het meer lucht happen dan zingen.”

Het buitenlandse contingent van SC Heerenveen bestaat momenteel uit vier Denen, een Noor en een Rus. In de zomer komt er nog een van Veendam overgenomen Pool bij. Er is bewust voor Deense voetballers gekozen. “Denen passen bij Friezen”, stelt Van der Velde. “Ze hebben hetzelfde karakter, zijn makkelijk in de omgang en werken keihard. Belangrijk is ook dat ze binnen een mum van tijd de taal spreken. De wedstrijdbesprekingen hoeven bij ons nu al niet meer in het Engels te worden gehouden. Nog even en ik ben vergeten dat Tomasson een Deen is. Dat ligt bij mensen uit andere landen vaak anders. Die weigeren zich aan te passen. Daarom heb ik zo mijn bedenkingen over voetballers van over de plas.”

Terug naar de training van Feyenoord. Daar nemen de supporters de nieuwe aankopen onder de loep. “Die gozer uit Uruguay is een type als Fräser, fel en snel”, klinkt het. “Maar ach, je kan er nu nog zo weinig over zeggen.” De eerste indruk van de andere nieuweling, aanvaller Montoya, is minder positief. De zoveelste opvolger van de legendarische Ove Kindvall is maar een onderdeurtje, vinden de experts aan de zijlijn. Supporter Veenman: “Ik wil nog niet oordelen of veroordelen, maar moet dat nou de verlosser zijn? Ik dacht het niet, hoor. Feyenoord had gewoon Pierre van Hooijdonk moeten kopen.”

Ook Coen Moulijn heeft zijn bedenkingen. “Ik ben bang dat de meeste van die buitenlanders van middelmatig niveau zijn, tweederangs. Want waarom zouden ze anders naar Nederland komen? Als je hoort wat ze in het buitenland de toppers voor salarissen betalen, daar kan Feyenoord niet aan tippen. Maar echt, ik hoop dat ik ongelijk heb.”

Willem Veenman tot slot: “Arie Haan denkt dat hij het beter weet. Oké. Voorlopig varen we maar blind op hem. Maar over een maand weten we meer. En als het ons niet bevalt, zullen we ons wel laten horen!”