De spot van Goldreyer

Er blijft iets raadselachtigs kleven aan de zaak Goldreyer, de Amerikaanse restaurateur die voor een half miljoen gulden een kostbaar schilderij repareerde voor het Amsterdamse Stedelijk Museum door het aanbrengen van twee miljoen piepkleine rode stipjes.

Dat was althans wat hij zelf zei. Anderen zeiden dat het doek was overgerold. Ook over de verfsoort bestond verschil van mening. Goldreyer zei dat hij het doek met acrylverf had gerestaureerd; onderzoek wees uit dat gebruik was gemaakt van alkyd, een goedkope verfsoort die wel wordt gebruikt voor het opschilderen van balkons. Toen de berichten over verfroller en alkyd in de krant verschenen, begon Goldreyer onmiddellijk te dreigen met processen wegens smaad. De gemeente Amsterdam heeft die dreiging onlangs afgekocht door aan Goldreyer nog eens honderdduizend dollar extra te betalen.

In alle opwinding over de schandaligheid van al dit bedrog is onvoldoende beseft dat er iets heel raars mee aan de hand is. Een gewone bedrieger probeert zijn bedrog zo te plegen dat het zo weinig mogelijk opvalt. En dat is nu juist wat bij Goldreyer ontbreekt. Wie geen zin heeft om twee miljoen verfstipjes aan te brengen, grijpt niet naar de verfoller maar neemt een iets minder fijn penseel, want voor de specialist is het verschil tussen roller en kwast vrij gemakkelijk te zien. Het was de prominente kunsthistoricus Ernst van de Wetering die als eerste met gezag verklaarde dat het doek was overgerold, maar ook de sjouwers die het gerestaureerde schilderij weer terug het Stedelijk Museum in hadden gedragen, hadden al tegen elkaar gezegd: 'Oh, dat is met een verfroller gedaan'.

Hetzelfde speelt bij de verfsoort. Waarom heeft Goldreyer in 's hemelsnaam voor alkyd gekozen? Omdat dat goedkoper was? Op een begroting van een half miljoen gulden maakt de prijs van een paar potten verf toch waarlijk niet zo heel veel uit. Er valt maar één verklaring te bedenken voor de keuze van alkyd: het is de beste garantie dat er een groot schandaal zal ontstaan. Wie een schilderij restaureert met een ordinaire verfsoort die bestemd is om weer en wind te kunnen doorstaan, gedraagt zich als een bankrover die naast de geknevelde kassier zorgvuldig zijn paspoort deponeert.

Op meer punten is het bedrog van Goldreyer te opzichtig om nog geloofwaardig te zijn als een serieuze poging om de zaak te tillen. Zo bleek bijvoorbeeld achteraf dat Goldreyer vóór de restauratie een schriftelijke afspraak had gemaakt met zijn directe opdrachtgever, de toenmalige directeur van het Stedelijk Museum Wim Beeren, waarin Beeren verklaarde dat hij achteraf niets onaardigs over de restauratie zou zeggen. Zo'n afspraak is natuurlijk idioot. Het is alsof u uw auto naar de garage brengt voor reparatie en dadelijk schriftelijk moet verklaren dat u achteraf niet zult klagen over de manier waarop uw auto is gerepareerd.

Ook bij het dreigen met schadeclaims probeerde Goldreyer zelfs de schijn van redelijkheid te vermijden. Een serieuze restaurator die zich in zijn goede naam voelt aangetast, zal ongetwijfeld een forse schadevergoeding eisen: minstens een paar ton, misschien wel een paar miljoen. Dat was echter niet wat Goldreyer deed. Hij vroeg niet een paar miljoen, hij vroeg zelfs niet enkele tientallen miljoenen, neen, hij eiste in totaal meer dan tweehonderd miljoen gulden schadevergoeding.

Kortom: Goldreyer is geen gewone oplichter. Een gewone oplichter probeert juist een zo serieuze en onopvallend mogelijke indruk te maken. Is Goldreyer dan een geval voor de psychiater? Ik denk het niet. Ik denk dat deze restauratie een logisch gevolg is van de aard van het gerestaureerde schilderij.

Het gaat hier om 'Who is afraid of red, yellow and blue?' van de beroemde Amerikaanse schilder Barnett Newman. Dat is een reusachtig doek van meer dan twee bij vijf meter dat alleen maar bestaat uit een groot rood vlak, met aan de ene kant een smalle strook geel en aan de andere kant een strook blauw. Kortom, het soort schilderij dat bij menigeen de indruk wekt dat er iets grondig mis is met de wereld van de moderne schilderkunst. Het Stedelijk Museum heeft het doek in de jaren zestig van Newman gekocht voor twee ton, en zoiets lijkt pure windhandel. Zo simpel is het echter niet, denk ik. Als Newman de zaak had willen tillen, dan zou hij zijn schilderij een diepzinnige titel als 'Oneindige dimensie' of 'Stemmingen III' gegeven hebben. Wie een dergelijk schilderij echter 'Who is afraid of red, yellow and blue?' noemt, drijft openlijk de spot met het ontzag voor dit soort schilderkunst van museumdirecteuren zoals Wim Beeren. Wat Newman heeft gedaan, is geen windhandel, maar zeilen op de wind van dit soort handel.

Goldreyer moet dit ten volle hebben beseft. Hij is een zeer vooraanstaand restaurator, die ook persoonlijk vertrouwd was met de groep van schilders waartoe Barnett Newman behoorde. In zijn restauratie heeft hij op eigen wijze de oorspronkelijke intentie van het schilderij - het bespotten van een deel van de wereld der moderne kunst - niet alleen bekwaam gevolgd, maar zelfs verre weten te overtreffen. Niets is ordinairder dan een verfroller. Niets is goedkoper dan alkyd. Niets is dommer dan een museumdirecteur die bij voorbaat belooft dat hij niets negatiefs zal zeggen over iets dat in zijn opdracht gedaan zal worden.

Ik meen dan ook dat de restauratie op sublieme wijze is verricht. Toegegeven: goedkoop is het allemaal niet geweest. Alles bij elkaar heeft deze grap de gemeente Amsterdam meer dan twee miljoen gulden gekost. Maar zelden heeft een kunstwerk zoveel opwinding en vermaak veroorzaakt.

    • Han Israëls