CPB-rapport Maasvlakte: 'Geen visie'

ROTTERDAM, 8 FEBR. “Het CPB-rapport over Maasvlakte II bevat vakkundig rekenwerk, maar mist visie en gevoel voor wat er in de dagelijkse praktijk speelt. Strategische beslissingen zijn nooit alleen maar met cijfers te nemen.” Dat zegt hoofddirecteur W. Scholten van het Gemeentelijk Havenbedrijf Rotterdam (GHR) over het gisteren verschenen rapport van het Centraal Planbureau. Het Planbureau stelt daarin dat uitbreiding van de Maasvlakte met 500 hectaren tot 2020 voorziet in de behoefte aan industrieterrein van Rotterdam.

Scholten houdt vast aan zijn overtuiging dat een strategische beslissing over de aanleg - in fasen - van een 'grote tweede Maasvlakte' nu moet worden genomen. De projectorganisatie Maasvlakte 2, waarin het GHR en Rijkswaterstaat Zuid-Holland zijn vertegenwoordigd, concludeerde onlangs dat met de aanleg een Maasvlakte II van 2.000 hectare tot 2035 in de strategische behoefte van Rotterdam aan terrein voor onder andere chemische industrie en containeroverslag kan worden voldaan.

Het Rotterdamse Havenbedrijf heeft het afgelopen jaar dertien bedrijven die samen behoefte hadden aan 200 hectare niet kunnen huisvesten. Scholten: “Daar zaten twee grote chemische bedrijven bij. Over een paar jaar zijn we door onze reserves heen. Grote bedrijven geven nu al aan dat ze binnen een paar jaar kavels van 300 tot 400 hectare nodig hebben. Dat soort terreinen is er helemaal niet.”

Ook op het punt van extra werkgelegenheid die een tweede Maasvlakte met zich mee brengt, schetst het Planbureau volgens de GHR-directeur een 'te eng beeld'. “Uitstel of een te kleine Maasvlakte II betekent een aanhoudende dreiging van ruimtekort, hetgeen zal leiden tot verminderde investeringslust bij het bedrijfsleven. Nieuwe en op termijn ook bestaande klanten zullen overwegen om uit te wijken naar andere buitenlandse havens. Het perspectief dat de mainport Rotterdam wordt geboden, heeft grotere effecten dan nu kan worden berekend,” aldus Scholten.

Het CPB concludeert dat een beperkte 'droge' uitbreiding (zonder diepzeehavens) in aansluiting op de bestaande Maasvlakte vooral is gewenst om nieuwe chemische bedrijven te kunnen accomoderen. Co-auteur T. van Hoek van het CPB erkent dat de uitgifte van bedrijfsterrein voor containeroverslag en chemische bedrijven de laatste drie jaar in Rotterdam 'erg hard is gegaan'. “Maar wie zegt dat dit tempo gehandhaafd blijft?”, aldus Van Hoek.

Op de nieuwe Maasvlakte van 500 hectare moet volgens de CPB-studie 100 tot 150 hectare worden gereserveerd voor een zogeheten etheencluster waarvan er in West-Europa de komende 25 jaar vijf of zes zullen worden gebouwd, mogelijk één in Nederland.

Van Hoek: “Als Shell daartoe besluit, ligt Moerdijk (Shell Chemie) voor de hand, als het aan BASF ligt, dan komt Antwerpen in aanmerking. Als een 'vrije speler' daartoe overgaat, is Rotterdam kandidaat.”

Van Hoek wijst erop dat de verwachte ontwikkeling van de chemiesector in West-Europa beperkt is qua ruimtebeslag. “Volgens het Engelse studiebureau Chemsystems is de komende twee decennia in West-Europa slechts 1.000 hectare terrein nodig,” aldus Van Hoek. Het aandeel van Rotterdam in de petro-chemie in Europa is beperkt tot 5 procent, tegen 15 procent voor Nederland als geheel (Heerlen, Terneuzen, Moerdijk).

Het containervervoer in de Rotterdamse haven kan volgens Van Hoek binnen de bestaande ruimte in Rotterdam groeien van de huidige drie miljoen tot tien miljoen containers per jaar. In de bestaande ruimte zijn de huidige containerterminals, opties voor 200 hectare bedrijfsterrein, alsmede 130 hectare 'goed uitgeefbaar terrein' op de huidige Maasvlaktebegrepen.

Het CPB heeft geen onderzoek verricht naar de behoefte aan 'schuifruimte' waarvoor volgens de projectorganisatie Maasvlakte 2 300 à 400 hectare gewenst is.

Deze ruimte zou nodig zijn om bedrijven geheel of gedeeltelijk te kunnen verplaatsen mede om de leefkwaliteit in aangrenzende woongebieden te kunnen verbeteren. “Dit begrip kwam voor ons als een verrassing. Omdat het moeilijk te kwantificeren is, hebben we er geen nader onderzoek naar gedaan.”

Het CPB stelt dat de extra toegevoegde waarde van 1 à 1,5 miljard over een periode van twintig jaar, alsmede 750 a 1.200 arbeidsplaatsen van nieuwe activiteiten op de Maasvlakte moet worden afgewogen tegen de investeringskosten.

Adjunct-directeur P. van den Berg wijst erop dat de rentelasten van kostbare investeringen direct beginnen te tellen terwijl de baten in de vorm van toegevoegde waarde en werkgelegnheid pas later komen. De uitbreiding van de huidige Maasvlakte met 500 hectare (kosten circa 1,3 miljard gulden) is in dit opzicht een goede match, aldus Van den Berg.

De Rotterdamse 'variant' van een tweede Maasvlakte van 2.000 hectare in 2035 zou minimaal 5 en maximaal 12 miljard kosten, afhankelijk van de vorm van de uitbreiding.