Concertgebouw vestigt Amsterdams wereldrecord Bruckner-concerten; Chailly brengt lijn in losse bladen

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Riccardo Chailly m.m.v. Matthias Goene, bariton. Programma: H. Wolf: Vijf Goetheliederen; A. Bruckner: Zesde symfonie. Gehoord: 6/2 Concertgebouw A'dam. Herhalingen: 9, 13/2; 20/2 Groningen; 23/2 Birmingham. Radio: 9/2 Radio 4.

Met zes uitvoeringen van Bruckners Zesde symfonie vestigt het Koninklijk Concertgebouworkest onder leiding van Riccardo Chailly dezer dagen het Amsterdamse wereldrecord Bruckner-concerten, blijkt uit het gisteren verschenen boek Bruckner en het Koninklijk Concertgebouworkest. Wanneer ook Nikolaus Harnoncourt in april zijn twee concerten met Bruckners Vierde symfonie zal hebben gegeven, komt het Concertgebouworkest op een Brucknertotaal van 683, ruim vóór de Wiener en de Berliner, zo heeft mede-samensteller Nico Steffen vastgesteld. Bruckner ligt dan bij het Concertgebouworkest bijna 200 uitvoeringen achter op de 876 uitvoeringen van Mahler, exclusief diens liederencycli en Das klagende Lied.

Bruckners Zesde werd pas in 1930 voor het eerst door het Concertgebouworkest uitgevoerd, zo leert het nieuwe boek, en deze uitvoeringen van Chailly zijn, na die van Mengelberg, Van Otterloo, Flipse, Kubelik, Klemperer, Jochum, Haitink en Blomstedt, de nummers 34 t/m 40. Daarmee is het werk, op de eerste ongenummerde en nrs. I en II na, de minst gespeelde Brucknersymfonie.

De Zesde is aan de oppervlakte inderdaad een van de onaantrekkelijkste Bruckners: een uur durende catalogus van talloze los van elkaar staande Brucknerthema's - te beluisteren als het bladeren in zijn schetsboek. Wat Bruckner elders doet, contrasterende thema's achter elkaar zetten zonder formele symfonische ontwikkeling, doet hij hier a fortiori. Daarmee is het werk een van zijn meest Bruckneriaanse en een van de meest avantgardistische van de negentiende eeuwse muziekliteratuur.

Aan elke maat en iedere snipper moet hier hard en liefdevol worden gewerkt om die staande te houden tussen al die andere. Zo deed Blomstedt het acht jaar geleden. Chailly, die hier voor de achtste keer een serie Bruckners dirigeert, doet dat ook. Maar niettemin weet hij tijdens het exposeren van Bruckners dialectiek te duiden op een soort synthese door ondertussen grotere lijnen en verbanden aan te brengen en een duidelijker opbouw te suggereren. Het Adagio klinkt bij hem wel zeer welluidend.

Vooraf gaan vijf liederen van Hugo Wolf op Goethe-teksten: Harfenspieler I, II en III, Anakreons Grab en Prometheus. De fraai getimbreerde Duitse bariton Matthias Goerner, leerling van Fischer-Dieskau en Schwarzkopf, zong de eerste vier ingehouden liederen op intens declamatorische wijze. Maar in Prometheus, een lied met een ontzagwekkend reliëf, waarin de Griekse goden het vuur wordt gestolen, kon hij een overwinning op Zeus niet waarmaken. Deze Prometheus zou door de oppergod zó zijn weggeworpen van de Olympos.