Zwart suburber wordt getto-messias

Paul Beatty: The White Boy Shuffle. Minerva, 249 blz. ƒ 19,75

Een kalm, voorzichtig begin heeft het romandebuut van de Amerikaanse dichter Paul Beatty niet. 'Unlike the typical bluesy earthy folksy denim-overalls noble-in-the-face-of-cracker-racism aw shucks Pulitzer Prize-winning protagonist mojo magic black man, I am not the seventh son of a seventh son of a seventh son. I wish I were, but fate shorted me by six brothers and three uncles.'

Paul Beatty's schrijfstijl, een spervuur van bijvoeglijke naamwoorden vol referenties aan de zwarte Amerikaanse cultuur, is niet voor iedereen gemakkelijk te volgen. Zijn boek is in de eerste plaats bedoeld voor de zwarte Amerikaanse bevolking, die hij een scherpgerande lachspiegel voorhoudt, een lachspiegel die groteske en uiteindelijk grimmige vormen aanneemt. Vrolijk en oneerbiedig drijft hij de spot met de helden uit de zwarte cultuur, de blueszangers die over zwarte magie zongen, de schrijvers die met schrijnende verhalen over slavernij literaire prijzen wonnen.

De hoofdpersoon van de roman, Gunnar Kaufman, stamt niet af van zulke heldhaftige strijders voor de zwarte zaak, maar juist van het ergste soort kruipers. Gunnar geeft op school, Manischewitz Junior High in Los Angeles, een hilarische opsomming van zijn voorouders. Het is Zwarte Geschiedenis-maand, en de kinderen hebben de opdracht gekregen een stamboom te maken opdat ze meer in contact komen met hun zwarte identiteit. De meesten houden het simpel, laten een oude familiefoto zien: 'Dit is mijn broer. Is dood. Mijn andere broer - ook dood. Mijn opa was in Vietnam. Is gek.' Gunnar stapt voor de klas met een gigantische stamboom onder zijn arm. Hij begint bij Euripides Kaufman, die in het begin van de negentiende eeuw op zijn zevende al geld verdient door zich door blanken over zijn hoofd te laten wrijven: dat brengt geluk. Twee jaar later heeft hij genoeg verdiend om zichzelf vrij te kopen.

Zijn vrij geboren zoon Swen Kaufman is een balletdanser die verrukt is als hij in het zuiden van Amerika slaven op een tabaksplantage aan het werk ziet. De bewegingen van de werkers, de schoffels en de houwelen, brengen hem op een briljant idee: een revolutionaire dansopera die de stoïcijnse bewegingen van dwangarbeid combineert met sierlijke, zelfverzekerde aristocratische teksten. Swen twijfelt geen moment, springt enthousiast het veld in en gaat aan het werk om zich de bewegingen eigen te maken van de slaven, die verbijsterd toekijken. De eerste vrije zwarte man die uit eigen beweging slaaf wordt.

Paul Beatty, een jonge schrijver die bekendheid kreeg door zijn optredens in de 'Spoken Word'-programma's van de muziekzender MTV, trekt zich weinig aan van de conventies in de zwarte Amerikaanse literatuur. Gaat het daarin meestal om een hoofdpersoon die zich vanuit kansloze armoede weet op te werken naar de nationale elite - 'from jail to Yale', zoals Beatty het in een interview samenvatte - met Gunnar Kaufman gaat het juist andersom. Van een gegoede middenklasse-buurt in Santa Monica gaat hij naar de achterbuurt Hillside in Los Angeles.

De cultuurschok is groot. Gunnar is opgegroeid tussen blanken, in een buurt waar multiculturalisme braaf beleden wordt maar in nog geen honderd jaar in praktijk zal worden gebracht. De zwarte kinderen in Los Angeles zijn voor Gunnar wezens van een andere planeet. Zelf valt hij, met zijn frisse, felgekleurde Santa Monica-kleren meteen al uit de toon. 'Damn, fool, what's up with your loud-ass gear?' zegt de eerste jongen die hij tegenkomt verontwaardigd. 'Nigger got on so many colors, look like a walking paint-sampler. Did you find the pot of gold at the end of the rainbow?'

Gunnar kleedt zich als een blanke, praat als een blanke en danst als een blanke: de meelijkwekkende 'white boy shuffle'. Hij blijkt echter wèl te kunnen basketballen, en dat is zijn redding. Nu wordt hij niet meer door zowel de meisjes als de jongens in elkaar geslagen, maar krijgt hij respect.

Gaandeweg wordt Hillside voor Gunnar niet meer een andere planeet, maar een plek waar hij zich thuis voelt, waar hij zich zwart voelt. Door de gedichten die hij schrijft groeit hij zelfs uit tot een held van de zwarte gemeenschap. Zijns ondanks wordt hij een leider, uiteindelijk een messiasfiguur. De vrolijkheid van het begin is dan omgeslagen in een bitter cynisme. Gunnar kan zijn oren niet geloven als hij hoort dat de agenten in het Rodney King-proces zijn vrijgesproken: ze waren toch op zijn minst schuldig aan een verkeersovertreding? 'Ik heb me nog nooit zó waardeloos gevoeld', schrijft hij. Hij beseft dat de zwarte strijd voor gelijkheid hopeloos is. 'We hebben het geprobeerd met smeken, in opstand komen, entertainen, gemengde huwelijken, en we worden nog steeds als stront behandeld.' We kunnen allemaal net zo goed zelfmoord plegen, concludeert Gunnar, en evenals Jim Jones en David Koresh krijgt hij massaal navolging.

Beatty's superieur behendig verwoorde humor komt voort uit een besef van de absurditeit van het bestaan. Zijn boek is onweerstaanbaar grappig, ook voor blanke 'buitenstaanders'. Maar het wrange einde maakt pijnlijk duidelijk dat het bestaan voor een zwarte burger in het raciale gekkenhuis Los Angeles nog veel absurder is dan voor de meesten van ons.

    • Sietse Meijer