Verzamelde romans van P.A. Daum; Frivool fatalisme in de kolonie

De Nederlands-Indische journalist en schrijver P.A. Daum (1850-1898) is een literaire survivor. Honderd jaar geleden was hij met zijn romans over het alledaagse leven in de kolonie razend populair. In het interbellum werd hij opnieuw 'ontdekt', na de oorlog drong Daum door tot de veelgelezen Salamanderreeks. En nu verschijnen dan zijn 'Verzamelde romans', bezorgd door de Leidse Daum-specialist Gerard Termorshuizen.

P.A. Daum: Verzamelde romans. Deel 1. Uit de suiker in de tabak. Hoe hij Raad van Indië werd. Tekstbezorging en commentaar Gerard Termorshuizen. Nijgh en Van Ditmar, 660 blz. ƒ 69,90 (tot 1 mei bij intekening op de drie delen verzamelde romans)

Gerard Termorshuizen (red): Rondom Daum. Nijgh en Van Ditmar, 136 blz. ƒ 24,90 (gratis bij intekening op de drie delen)

P.A. Daum schreef tussen 1883 en 1893 onder het pseudoniem Maurits tien romans die zich voornamelijk afspelen in kringen van de koloniale overheerser. Deze houden zich meestal op in hun villa's, waar op de veranda's veel gefeest en gedronken en nog meer geroddeld wordt. Of het nu gaat om koloniale ambtenaren of planters, de vrije jongens van die tijd, iedereen verdient kapitalen en Daum beschrijft hoe dat geld nog sneller weer wordt verbrast. Aan de inheemse bevolking besteedt Daum nauwelijks aandacht: deze vormt vooral een onderdeel van de exotische entourage. Zijn werk telt ook alleen Europese hoofdpersonen, met uitzondering van Aboe Bakar uit 1893 (in 1897 in boekvorm verschenen). Daarin doet Daum een poging het leven in Indië te beschrijven door de ogen van een 'inlander'.

In het Nederlands-Indië van het fin de siècle was Daum een bekendheid. Na enkele jaren als journalist voor De Locomotief gewerkt te hebben, kocht hij in 1883 Het Indisch Vaderland op en toen dat in 1885 een verschijningsverbod kreeg opgelegd wegens belediging van het gouvernement, richtte hij in datzelfde jaar het Bataviaasch Nieuwsblad op. Beide kranten schreef hij grotendeels zelf vol. Dat hij ook de 'Maurits' was achter de smakelijke feuilletons in die kranten, was in Batavia al snel bekend. Zijn tijdgenoten beschouwden Daum, die bekend stond als een bewonderaar van de hemelbestormer Multatuli, als een verlicht mens. Dat betekent overigens niet dat hij in politieke zin progressief was. Daum verdedigde vooral de Europese belangen in Indië en was bijvoorbeeld geen aanhanger van de zogeheten 'ethische koers', die zich richtte op de verheffing van de inheemse bevolking.

Daum maakte in zijn romans ruimschoots gebruik van wat hem ter ore kwam over zijn medeburgers, wat zijn verhalen voor tijdgenoten extra aantrekkelijk maakte. Maar dat de aldus versleutelde werkelijkheid meer was dan een gesublimeerde roddelrubriek bewijst zijn populariteit in het moederland waar de lezers immers niet wisten naar wie Daums personages verwezen. In een tijd zonder radio of televisie schetsten de romans van Daum voor het thuisfront een bijzonder levendig beeld van de Hollanders in de Indische koloniale samenleving waarin iedereen elkaar beloerde en bestookte.

De financiële en vaak ook morele ondergang van Hollanders die zich in de kolonie vestigen, is het favoriete thema van Daum. De 'baren' komen hooggestemd aan in Batavia, de studie in Delft of Leiden net achter de rug, maar onafwendbaar raken zij gecorrumpeerd door drank, gokken en vrouwen.

Ook de twee werken die nu in het eerste deel van de Verzamelde romans verschijnen (de volgende twee delen komen in de loop van 1998 - honderd jaar na Daums dood) zijn voorbeelden van deze laat-negentiende-eeuwse tropische versie van seks, drugs & rock 'n roll. Daums romandebuut Uit de suiker in de tabak (in 1885 in boekvorm verschenen) en zijn tweede boek Hoe hij Raad van Indië werd (1888) bevatten alle elementen die ook zijn latere werk zo de moeite waard maken: de heldere en ironische manier waarop hij de koloniale maatschappij genadeloos tegen het licht houdt.

Uit de suiker in de tabak beschrijft de geschiedenis van een planter die zijn fortuin misloopt in Indië. Het is ook het verhaal van een mislukt huwelijk. De gesjeesde student Van Tuyll, door zijn ouders naar de Oost gestuurd omdat hij zich in Leiden in de schulden had gestoken, blikt in deze roman terug op de grote fout die hij heeft begaan door over te schakelen van de handel in suiker naar de tabak. Aan het eind besluit Van Tuyll: 'Ware ik in de suiker gebleven, dan hadden alle rekeningen courant van geldschieters niet kunnen beletten dat ik millionair was geworden. In de tabak vond mijn kans om fortuin te maken haar graf.' Van Tuyll eindigt overigens niet bankroet, zoals de hoofdpersoon uit de latere roman Ing. van Brakel B.O.W. (1888). Maar hij is wel moreel failliet: 'Als ik zo 's middags onder 'n kop thee van mijn voorgalerij naar beneden zie over de eindeloze sawahs, die er thans worden bearbeid, dan krijg ik wel eens een naar gevoel van verlatenheid, en dan denk ik, hoe weinig er nodig is om een mensenleven doelloos te maken.'

In Indië, zo heeft Van Tuyll ondervonden, draait alles om geld en dat is dan ook een belangrijk onderwerp van gesprek. Dat merkt hij direct na aankomst uit Nederland als hij te gast is op een diner. 'Haar kabajaknoopjes hadden, naar ik uit het gesprek al spoedig vernam, tienduizend gulden gekost, de haarpennen ƒ 1500,-, de steen uit een van haar ringen zevenduizendvijfhonderd.'

Een voorbeeld van de afstandelijke wijze waarop Daum zijn omgeving bekijkt, is de volgende passage: 'Het diner was werkelijk schitterend, en alles ging hoogst gepast, al wisten sommigen niet altijd wat zij aten en hoe zij moesten eten: maar niets vond ik dwazer dan de toiletten der dames; de meesten in sarong en kabaja, wat goed stond; er waren er ook enigen die zich 'gekleed' hadden en met hun vijf of zes jaar in de mode achterlijke toiletten een dwaas figuur maakten.'

Opvallend is ook de droge wijze waarop Van Tuyll verslag doet van zijn mislukte huwelijk met Hélène. Na een gelukkige periode begint kinderloosheid haar schaduw te werpen op hun leven. Alles wordt gedaan om het tij te keren, zelfs de hulp van een doekoen wordt ingeroepen, maar niets helpt. 'Meestal schenen Hélène en ik elkaar door buitengewone liefheid en kleine attenties te willen troosten voor het gemis, dat wij, elke voor zichzelf, gevoelden, maar soms ook kwamen er heel plotseling van die onverwachte wendingen, waarin alles wat wij aan stilte en teleurstelling verzameld hadden, vooral werd neergelegd in den toon, waarop de minder aangename woorden gewisseld werden.' Daarna worden het Van Tuylls voortdurende escapades en de wederzijdse aanvallen van jaloezie die de sfeer tussen de echtelieden verder doen verslechteren. Na een uiterst kille periode tijdens een verblijf in Europa is een scheiding het gevolg. Aan het slot van de roman wijdt Van Tuyll nog enkele regels aan haar: 'Hélène, aan wie ik nog steeds met stil leedwezen denk, zend ik elk kwartaal hetgeen haar toekomt. Zij liet nooit iets van zich horen; ik ook niet.' Overigens zijn slechte huwelijken en echtscheidingen een geliefd onderwerp in de romans van Daum. Tegelijkertijd zorgde juist dit thema in het nog puriteinse Holland voor een oh-la-la-sfeertje rond zijn werk.

Of Van Tuyll uiteindelijk zwaarder getroffen is door zijn financiële debacle dan door zijn verwoeste liefdesleven, is de vraag. Maar dat zaken voor het meisje gaan in Indië, beschrijft Daum later cynisch in de roman Nummer elf (1893). Wanneer de Hollandse echtgenote van de hoofdpersoon is vergiftigd door zijn voormalige 'inlandse' bijzit, zegt zijn zakenpartner: 'Maar wij moeten geen schandaal maken. Dat is nooit goed in zaken, en we zijn in zaken, jij en ik.'

Kenmerkend voor Daums werk is zijn liefde voor krachtige vrouwenfiguren. In zijn tweede roman Hoe hij Raad van Indië werd (1888) laat Daum de middelmatige en nogal bang aangelegde ambtenaar Van den Broek doorstoten naar de top. Maar dit lukt uitsluitend door de inspanningen van zijn weinig scrupuleuze achtereenvolgende echtgenotes. Van den Broeks eerste vrouw paait een superieur door in de wildernis buitengewoon lekkere en verfijnde maaltijden te serveren. Deze eerste vrouw komt echter te overlijden en de jonge weduwnaar hertrouwt met een exemplaar dat nog een stap verder gaat: zij regelt de carrière van haar man in bed.

Als Van den Broek zijn eerste vrouw ten grave draagt, beschrijft Daum de begrafenis: 'Twee gouden pajongs, vier cylinderhoeden en drie stijve uniformkragen - meer kon een nog jong ambtenaar werkelijk niet verlangen bij zulk een gelegenheid. Het totaal der rijtuigen, achter de lijkkist, bedroeg volgens nauwkeurige statistieken van al de dames in den omtrek, die den stoet uit hun voorgalerijen gadesloegen, twee en veertig, voor het meerendeel eigen spul. Er waren zes coupé's bij.' Daum werkt op de lachspieren door lichtvoetigheid en ernst scherp met elkaar te laten contrasteren. Wanneer iedereen tijdens de begrafenisplechtigheid zwaar geroerd is door het verlies, laat Daum de hoge ambtenaar, die ooit culinair verwend werd door de jonge dode, onwillekeurig terugdenken aan de verrukkelijke vol au vent die ze hem voorzette.

Als Van den Broek door de inzet van zijn tweede vrouw weer een stap hoger komt in de hiërarchie, schrijft Daum: 'De geweldige bevordering van Van den Broek gaf drie en een halve dag achtereen stof tot gesprekken te Batavia. Twaalf ambtenaren, ongeveer van zijn tijd en vroegere promotie, moesten dagen van kantoor wegblijven met galkoortsen.'

P.A. (Paatje) Daum was niet alleen door zijn dadendrang en onwaarschijnlijke schrijflust een opmerkelijk figuur. Hij was ook in literair opzicht een vernieuwer: in Nederlands-Indië, maar ook in Nederland. Gegrepen door de opvattingen van Emile Zola, streefde hij ernaar vanuit Indië de Nederlandse letteren te moderniseren. Hij verzette zich tegen de gangbare zoetsappige romans met hun voorbeeldige personages, hun expliciete, opbouwende moraal en happy ending. In navolging van Zola vond Daum dat een schrijver realistische taferelen moest beschrijven, met personen die uit het leven waren gegrepen.

In de pamflettistische voorrede bij Uit de suiker in de tabak uit 1885 geeft Daum af op de conventionele kostschoolliteratuur. Hij waarschuwt dat er in zijn boek dingen worden gezegd waar men gewoonlijk niet over spreekt. Hoewel dergelijke waarschuwingen ook toen al omzetbevorderend werkten, is het niet verbazingwekkend dat het recensentendom in het moederland aanvankelijk vooral struikelde over de losse moraal die Daums boeken kenmerkte.

Uit de suiker in de tabak kan worden beschouwd als de eerste Nederlandse naturalistische roman: het verhaal presenteert een brok werkelijkheid en de hoofdpersoon is zeker geen voorbeeld van eer en deugd voor de lezer: hij pleegt voortdurend overspel. Ook de afwezigheid van opbouwend commentaar van de verteller, de zogenoemde 'wetenschappelijke afstandelijkheid' en het ontbreken van een voorspoedige afloop passen binnen dit stramien. Daum schetst zijn personages als een produkt van hun opvoeding en milieu.

In Nederland volgde eind jaren tachtig van de vorige eeuw al snel ander naturalistisch proza van Louis Couperus (Eline Vere), Marcellus Emants (Juffrouw Lina), en Lodewijk van Deyssel (Een liefde). Maar terwijl in deze boeken zenuwlijders en zelfmoordenaars balanceren op de rand van de dakgoot, beschrijft Daum een veel frivolere teloorgang in de tropen: zijn personages berusten in hun lot en tillen niet zo zwaar aan het verval van hun morele principes. Als de eerder genoemde ingenieur van Brakel door drank- en speelzucht uiteindelijk totaal verloederd genoegen moet nemen met een baantje als opzichter (mandoer), neemt hij nog eens een slok uit zijn heupflacon en zegt: 'Mandoer! Ook goed!'

Het belangrijkste conserveringsmiddel van Daums proza is zijn stijl waarin hij zich scherp onderscheidt van de andere Nederlandse naturalisten. Zij putten zich aan het eind van de negentiende eeuw uit in het construeren van ingewikkelde en soms zeer lange zinnen vol zelfbedachte woorden en bezigen de uit Frankrijk overgewaaide gekunstelde en inmiddels vaak onleesbare écriture artiste. Van Deyssel trekt in Een liefde (1888) bijvoorbeeld enige bladzijden uit om een ontbijttafel te beschrijven, waarbij hij een halve pagina nodig heeft om de koperkleurige schittering van een schaaltje rookvlees te schilderen. Vergeleken bij dat lyrische proza is Daum sober en strak in stijl en taal. Misschien komt dat omdat zijn boeken eerst verschenen als feuilleton, iets wat voor de literatuur in die dagen overigens niet ongebruikelijk was. Daum zat vaak tot diep in de nacht, inspiratie of geen inspiratie, aan de aflevering van de volgende dag te werken. Het gevolg is dat de kwaliteit van de afleveringen af en toe wisselend kan zijn, maar zelden steekt de feuilletonstructuur storend door de verhalen heen.

Het werk van Daum is door de jaren heen wisselend beoordeeld. Na een korte periode van literaire roem gedurende zijn leven, verdween Daum begin deze eeuw uit het zicht. Verreweg de meeste auteurs schrijven voor de vergetelheid, ondanks hun streven naar eeuwigheid. Maar Daums literaire nalatenschap werd in de jaren dertig gereanimeerd door de invloedrijke Forum-critici Du Perron en Ter Braak. Du Perron gaf de roman Goena-goena (1889) opnieuw uit en Ter Braak wijdde een aantal opstellen aan Daum. De verhitte discussie over het lage morele niveau van diens werk, die de toon bij verschijning van het eerste werk van Daum bepaalden, blijven in de jaren dertig achterwege. Ter Braak en Du Perron waardeerden Daum hoofdzakelijk als goed verteller die op een krachtige manier het koloniale leven van zijn tijd weerspiegelde.

Na de oorlog en dus ook na de ondergang van Nederlands-Indië waren het in eerste instantie Rob Nieuwenhuys en later Gerard Termorshuizen die Daums werk bleven heruitgeven. Termorshuizen, die nu, in gemoderniseerde spelling, de Verzamelde romans bezorgt, schreef bijna tien jaar geleden al de prachtige biografie P.A. Daum, journalist en romancier van tempo doeloe. Met deze zorgvuldige uitgave van zijn verzamelde romans krijgt Daums werk eindelijk zijn officiële plaats in de Nederlandse literatuurgeschiedenis. En dat is terecht want Daum is nog steeds een van de beste Nederlands-Indische auteurs en een van de meest leesbare negentiende- eeuwse schrijvers.