Varkens moet je in de watten leggen

Irritatie, angst en onzekerheid. De Peel wordt geteisterd door de varkenspest. 'Het is niet alleen kapitaalvernietiging, het is ook keihard. Voor dier en mens.'

BOEKEL/OIJEN, 7 FEBR. Voor café 't Menneke in Boekel verzamelde zich gistermiddag een groepje opgewonden boeren. Onderwerp van gesprek is natuurlijk de varkenspest die de Brabantse Peel al enkele dagen teistert. Zij vrezen dat het vervoersverbod hen een vermogen gaat kosten.

“We zijn er nog niet vanaf, mannen”, concludeert één van hen. “Ik hoorde minister Van Aartsen op de radio bevestigen dat er een tweede geval van pest is vastgesteld. In Odiliapeel, vlakbij ons eigen kerkdorp Venhorst, waar het leed allemaal begon. Alle varkens binnen een straal van twee kilometer worden afgemaakt.”

“Ge liegt het toch zeker? Nee? Nondedjú, dan hang ik misschien.” De eerste spreker maakt woedend een wegwerpgevaar. Verder commentaar heeft hij niet, net als zijn collega's die naar huis willen. “Het spijt ons, we zijn tè emotioneel.”

Het gemeentehuis van Boekel, op een steenworp van de voor carnaval versierde kroeg, is ingericht als crisiscentrum waar politie, de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (RVV), de Algemene Inspectiedienst (AID) en de gemeenten de aanpak van de varkenspest coördineren. Boeren lopen af en aan om de laatste informatie te krijgen.

Irritatie, angst en onzekerheid beheersen Noord-Oost Brabant, met name de boeren die in een straal van tien kilometer van Venhorst en Odiliapeel wonen. Voor hen geldt wegens de pest sinds dinsdagmiddag een vervoersverbod van vee en mest. Maar ook buiten die cirkel zit de schrik er goed in. Bij boer L. van der Burgt (46) een stuk verderop in Oijen, bijvoorbeeld. Geen buitenstaander mag op het moment zijn stallen in, verzekert Van der Burgt, voorzitter van de regio Veghel/Oss van het Nederlands Verbond van Varkenshouders, “om elke kans op besmetting te voorkomen.” Hij heeft een fokbedrijf, met zo'n 170 zeugen, en een stierenmesterij.

Dat besmettingsgevaar is heel groot, legt hij uit in de goeie kamer van zijn hoeve aan de Oijense Benedendijk. “Ik ken boeren van wie de vrouw zelfs niet meer de stal in mag. Want zij brengt de kinderen naar school, die weer met anderen in contact komen. Met alle risico's vandien. Varkenspest is een virus, dat is zó overgebracht. Oók door mensen, jazeker.”

Vanuit het “rampgebied” is Van der Burgt de laatste dagen veel gebeld. Door vakbondsleden, collega's en vrienden, die de wanhoop nabij zijn. Van der Burgt stelt hen gerust. “In 1992 heerste er ook varkenspest, maar die bleef beperkt tot twee boerderijen. Als ze de bron eerst maar eens konden vinden.”

De varkensbedrijven bestaan uit twee categorieën: vleesproducenten en fokkers. Voor de eerste is de ellende nog te overzien, zegt Van der Burgt. “Het ministerie betaalt de dagwaarde van de dieren die wegens de pest worden vernietigd. Daar is een fonds voor. Als het bedrijf weer ontsmet en schoon is, dan kan de zaak vrij snel wel weer draaien.” Heeft zo'n mestboer alleen te maken met het vervoersverbod, dan kost hem dat sowieso geld, weet Van der Burgt. “De slachtrijpe dieren gaan immers later naar de slachterij, met als gevolg dat ze groeien. In plaats van tussen de 80 en 95 kilo vlees leveren ze 110 kilo, maar dat vlees is vetter, van mindere kwaliteit. De prijs wordt gedrukt, het scheelt toch meteen vijftig piek per stuk. Voor een grote boer betekent dat een schade van duizenden guldens.”

De fokkers, zoals hijzelf, lopen volgens Van der Burgt een veel groter financieel risico. Worden de zeugen afgemaakt, dan duurt het minimaal twee jaar voordat de zaak weer een beetje op peil is. “Goede nieuwe moederdieren heb je niet zo maar, die kwaliteit moet je zoeken. Dat ligt heel gevoelig. Daar gaan jaren overheen, net als bij koeien. Van de honderd zeugen die je aanschaft, blijken er twintig achteraf niet geschikt. De eisen in een topbedrijf zijn tegenwoordig hoog: een moederdier werpt 2 à 3 keer per jaar, in twaalf maanden 22 tot 24 biggen.”

Voor de fokkers is een vervoersverbod een ramp, zegt Van der Burgt. Er zijn bedrijven waar iedere week tussen de 150 en 200 biggen bijkomen, rekent hij voor. De stallen raken op een gegeven moment overvol. “Bepaalde rassen vallen elkaar in zulke benauwde omstandigheden aan”, legt hij uit. “Het leidt zelfs tot kannibalisme. Dat doen ze niet van nature, maar wel als ze bloed zien. Dan zijn ze niet te stoppen. En in zo'n krappe ruimte heeft een dier zo een wond aan zijn poot. Er moeten biggen weg kunnen worden gebracht.”

Om de stallen leefbaar te houden heeft het Nederlands Verbond van Varkenshouders dinsdag bij minister Van Aartsen aangedrongen op een ontheffing van het vervoersverbod voor pasgeboren biggen. “Die gaan dan wel rechtstreeks naar de destructor”, zucht Van der Burgt, terwijl er een traan in zijn oog springt. “Dat doet pijn. Het is niet alleen kapitaalvernietiging, het is ook keihard. Voor dier en mens. Wij varkensboeren worden dikwijls afgeschilderd als keiharde op geld beluste jongens, maar geloof me: wie niet van varkens houdt, fokt geen varkens. Je moet de dieren liefkozen, in de watten leggen om succes te hebben met je bedrijf”, zegt Van der Burgt bij het afscheid.

Het is bijna donker in Oost-Brabant. Op het parkeerterrein van het gemeentehuis in Boekel volgt J. van Lieshout de mensen die het crisiscentrum in en uit gaan. Zelf is hij net terug van “een rondje langs de boeren”. Hij heeft de mannen gezien in de witte overalls, die de varkens afvoerden. Ook heeft hij het geschreeuw gehoord van dieren in doodsnood. Een van zijn vrienden is gaan kijken bij de destructor in Son. “Hij zag de ene veewagen na de ander, allemaal vol met lijken.”

De Rijksdienst voor Vee en Vlees heeft ook het meerijden van praalwagens in de carnavalsoptocht verboden. De wagens, die gewoonlijk worden gebruikt voor het transport van dieren, moeten nu wegens besmettingsgevaar in de schuur blijven staan. Carnavalsvereniging De Peeltuuters uit Venhorst zal de wagens filmen en op een groot scherm vertonen, zodat het publiek de opgetuigde wagens toch kan zien. Van Lieshout: “Hier bij café 't Menneke hebben ze de zaak mooi versierd, maar dit dorp is niet in de stemming voor carnaval.”